nieuws

Afwerklaag berekenen is beter dan ‘trial and error’

bouwbreed

Het is beter de kans op scheuren in en onthechting van afwerklagen te berekenen, dan te bepalen door ‘trial and error’. De uitkomst moet wel proefondervindelijk worden geverifieerd.

Die stelling poneerde ir. H. Borsje op de bijeenkomst over afwerklagen, gehouden door de Vereniging Adviseurs Betononderhoud en -reparatie (Vabor) bij TNO Bouw te Rijswijk. Borsje is betonspecialist bij de Afdeling Bouwtechnologie van TNO Bouw. Hij beperkte zich in zijn lezing echter niet tot cementgebonden afwerklagen, maar betrok ook epoxymortels in zijn betoog. Zijn conclusie was, dat krimp bepalend is voor de kans op scheuren en onthechting van afwerklagen. Met nadruk stelde hij, dat problemen met de afwerkvloer zeer vaak niet de schuld zijn van de vloerenlegger. Veel afwerklagen scheuren en onthechten nog nadat de vloerbedekking al is gelegd. Meestal wordt de schade dan niet opgemerkt.

Proefstuk lang genoeg?

Borsje wees erop dat producten voor afwerklagen beproefd moeten worden op niet te kleine betonplaten. Er is een minimale lengte nodig, omdat de maximale trekspanning en de maximale schuifspanning anders niet worden bereikt. De noodzakelijke lengte van het proefstuk varieert tussen ca. 30 cm en ca. 100 cm. Scheuren zijn het gevolg van trekspanning in de afwerklaag en treden eerst in het midden op. Onthechten is het gevolg van schuifspanning en vindt eerst aan de randen plaats. In zijn algemeenheid is de kans op schade bij een dikke afwerklaag groter dan bij een dunne. Maar als er eenmaal onthechting plaatsvindt, maakt een dikke afwerklaag meer kans om heel te blijven. Dikke afwerklagen ke het beste als afzonderlijke constructie benaderd worden, waarbij de hechting op de ondergrond niet van belang is.

Voegen hebben geen zin

Voegen aanbrengen in afwerklagen heeft volgens Borsje geen enkele zin. Aan de hand van enkele formules liet hij zien, dat zulke voegen minder dan 30 cm van elkaar zouden moeten liggen om de scheurvorming te beheersen. In veel gevallen wordt de maximale spanning dan al bereikt. “Dus: nooit meer praten over voegen in afwerklagen”, aldus Borsje. Hij behandelde een aantal praktijkvoorbeelden, zoals cementgebonden mortels, zandcementdekvloeren, epoxy troffelvloeren en de afwerking van sparingen in de tribunes van de Arena te Amsterdam. “Krimp is allesbepalend”, besloot Borsje. “Mortels met een zeer lage krimp laten niet los. Mortels met een hoge krimp scheuren vrijwel zeker. De kennis hierover bij de leveranciers van de mortels is niet optimaal. Er zijn producten waarbij de vloerenlegger het nooit goed kan doen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels