nieuws

Verbouwen op verontreinigde grond

bouwbreed

In onze gemeentelijke bouwverordeningen moeten op last van de Woningwet voorschriften worden opgenomen, die het bouwen op verontreinigde grond tegengaan. Daarom mag een vergunningplichtig bouwwerk niet worden gebouwd op grond, die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid of het milieu te verwachten is.

Omdat volgens de definitie van bouwen in de Woningwet daaronder ook het veranderen, dus verbouwen, van een bouwwerk wordt verstaan, mogen er ook geen verbouwingen op verontreinigde grond plaatsvinden. Dat was ook de conclusie van de gemeente Wisch toen die in juni 1995 een aanvraag voor een bouwvergunning binnen kreeg. Die werd gevraagd voor het intern verbouwen van een boerderij, waarvan 40 vierkante meter voor bewoning geschikt gemaakt zou worden. Voordat hij de aanvraag indiende had de eigenaar een bodem-onderzoek laten verrichten; dat wees vlak bij een van de vier boorpunten een sterke verontreiniging met o.a. zink en lood uit.

De gemeten waarden daarvan lagen ver boven die, welke sanering noodzakelijk maken.

Anderhalve maand na de indiening van zijn verzoek kreeg de aanvrager te horen dat zijn aanvraag niet-ontvankelijk was verklaard, omdat het onderzoek naar de bodemgesteldheid onvoldoende was om het bouwplan te ke beoordelen! Bij dat bericht zat meteen het gemeentelijk advies om maar af te zien van het verbouwingsplan omdat de kosten van bodemonderzoek en sanering zo’n relatief geringe verbouwing niet rechtvaardigden.

De boerderij-eigenaar was echter helemaal niet van plan om een nader onderzoek te laten verrichten en evenmin om zijn grond te laten saneren. Hij vond, dat door zijn verbouwing, waarbij helemaal niet in de grond werd geroerd, geen groter gevaar voor de gezondheid of het milieu zou ontstaan. De weigering van de gemeente om hem een bouwvergunning te verlenen, die een maand na de niet-ontvankelijkheidsbrief binnen kwam, was dan ook onjuist, zo vond hij. Het gemeentebestuur van Wisch had zijn weigering gegrond op strijdigheid van het bouwplan met de bepaling van zijn Bouwverordening, die het bouwen op verontreinigd terrein verbiedt. Weliswaar ke B en W vrijstelling van het verbod verlenen in gevallen waarin dat verbod niet redelijk is, maar die wilde het college niet geven. Het bezwaarschrift tegen dit gemeentelijke standpunt werd door Wisch ongegrond verklaard.

Dus naar een echte rechter: dat is tegenwoordig voor dit soort zaken de sector bestuursrecht van de Rechtbank in Zutphen. Omdat een voorlopige voorziening werd gevraagd was de President van die Rechtbank de man die moest oordelen over de vraag of de bouwvergunning terecht was geweigerd.

Volgens de eiser was dat niet het geval omdat de voorschriften over het bouwen op verontreinigde grond alleen betrekking zouden hebben op nieuw te bouwen woningen en dus niet op verbouwingen, Daarom zou het verbod in de gemeentelijke bouwverordening veel ruimer zijn dan (de bedoeling van) artikel 8 van de Woningwet en dus daarmee in strijd.

Dat was natuurlijk onzin. Ook een verbouwing op verontreinigde grond kan zodanig plaats vinden, dat daarmee de gezondheid of het milieu wordt geschaad. Dit bezwaar werd dus door de rechter snel opzij geschoven.

Hij had echter wel een positiever oordeel over de vraag of de gemeente terecht had geweigerd een vrijstelling te verlenen. Die had immers alleen gekeken naar de omvang van de verontreiniging en niet of door de verbouwing een groter gezondheidsrisico zou ontstaan. Dat deed de President dus wel en het was voor hem ook zonder nader onderzoek meteen duidelijk, dat er geen groter gezondheidsrisico voor de bewoners zou ontstaan dan al bestond. Ook kon niet gezegd worden, dat de bodemverontreiniging door de verbouwing zou worden verergerd of verplaatst.

Wel bestond natuurlijk de mogelijkheid dat later de hele (verbouwde) woning gesloopt zou moeten worden na een beslissing om de grond eronder te saneren, maar dat was en bleef een risico voor de eigenaar.

Zo kwam de President tot de conclusie, dat de toetsing van Wisch aan de verbodsbepaling in de eigen bouwverordening niet redelijk was verricht. De gemeente had wel degelijk vrijstelling van dat verbod dienen te verlenen, zonodig onder het stellen van de nodige voorwaarden. De President gaf daarvan zelfs een tweetal voorbeelden: folie of een gewapende betonvloer zou mogelijk het gevaar voor de gezondheid van de bewoners van het nieuwe woongedeelte nog beter ke beschermen dan wanneer zij zonder verbouwing in die boerderij bleven wonen.

Zo’n rechterlijke uitspraak is waarschijnlijk in de nabije toekomst niet meer nodig. De regering wil artikel 8 van de Woningwet zo wijzigen, dat het wat ongenuanceerde “het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem” daarin vervangen wordt door “tegengaan van bouwen op verontreinigde grond, voorzover dat bouwen betrekking heeft op bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en waarvoor een vergunning, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, (de bouwvergunning, MV) is vereist”.

Daarna volgen zelfs nog twee uitzonderingsgevallen, namelijk voor bouwwerken, die ongeacht hun bestemming;

1. hoewel vergunningplichtig, naar hun aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk als genoemd in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 42, eerste lid (de meldingplichtige bouwwerken, MV) of

2. de grond niet raken en waarbij het bestaande, niet wederrechtelijk gebruik wordt gehandhaafd.

Met name dit tweede uitzonderingsgeval zal onze gemeenten duidelijk maken, dat zij in situaties, als hierboven beschreven, rustig een bouwvergunning ke afgeven.

(BR 1996 p. 499)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels