nieuws

Voortijdige beeindiging opdracht

bouwbreed

Zowel de opdrachtgever als de architect hebben het recht de opdracht voortijdig te beeindigen. Dat bepaalt in wat krom Nederlands (want een opdracht trek je in en de uit de opdracht voortvloeiende verhouding wordt beeindigd) artikel 65 van de Standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect, kortweg de SR 1988.

Zij lijkt wat overbodig, die algemene bepaling van art. 65, want in het voorgaande artikel wordt al aan de architect het recht gegeven ‘de opdracht’ voortijdig te beeindigen als de vervulling daarvan langdurig vertraagd of onderbroken wordt door omstandigheden die hem niet ke worden toegerekend. Bovendien wordt in artikel 70 van diezelfde SR aan beide partijen het recht gegeven de ‘opdracht’ voortijdig te beeindigen, maar alleen als nakoming van de overeenkomst in redelijkheid niet van hen gevergd kan worden. Artikel 65 van de SR lijkt daarom niet alleen overbodig, maar ook minder gewenst omdat het suggereert, dat beide partijen bij een architecten-overeenkomst die tussen hen gesloten overeenkomst ke beeindigen zonder dat daar gevolgen uit voortvloeien.

In ons Burgerlijk Wetboek staat ook nog steeds, dat de ‘aanbesteder’, (die voortaan opdrachtgever gaat heten) de aanneming kan opzeggen. Zo’n recht is aan de aannemer niet gegeven. Straks komt in het nieuwe B.W. ook weer de bepaling voor, dat de opdrachtgever te allen tijde bevoegd is de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. Er volgt dan wel meteen de aanduiding wat voor hem de financiele gevolgen zijn van zo’n eenzijdige beeindiging van de overeenkomst met zijn aannemer. Dat nu mis ik in dat artikel 65 van de SR 1988 en daarom ke we dat artikel eigenlijk beter vergeten.

Dat deed ook de opdrachtgever, die van zijn architect af wilde omdat die bij het bezuinigen op het ontwerp voor zijn woning de kalkzandsteen van de dragende binnenspouwbladen had vervangen door gasbetonblokken, waardoor een volstrekt onverantwoorde bouwkundige situatie was ontstaan. Bovendien was deze notoire brokken-architect bij de bouw ernstig tekortgeschoten als directievoerder. Zo had hij het gepresteerd om de derde termijnnote te fiatteren nog voordat de met die termijn corresponderende werkzaamheden waren uitgevoerd!

Deze man werd voor zijn opdrachtgever een complete ramp, want de gemeente, die constateerde dat het bouwwerk gevaar voor instorting opleverde, zette de bouw stop. Logisch toch, dat deze gedupeerde opdrachtgever zich voor het verbreken van de relatie met zijn architect niet wilde beroepen op het algemene SR-artikel, dat hem (maar ook zijn rampveroorzaker) het recht gaf de ‘opdracht’ voortijdig te beeindigen. Heel begrijpelijk vond hij, dat het speciaal voor dit soort situaties geschreven artikel 70 van toepassing was. Het was immers duidelijk, dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij de overeenkomst nog verder zou nakomen.

Hij vroeg daarom aan de voorzitter van het Arbitrage Instituut Bouwkunst verlof om zijn vordering tot betaling van een voorschot op een volledige schadevergoeding als spoedgeschil te behandelen.

De voorzitter zag daar kennelijk voldoende reden toe, zeker als het scheidsgerecht van het A.I.B. tot de conclusie zou komen, dat de opdrachtgever terecht artikel 70 van de SR 1988 had gehanteerd voor de opzegging van zijn architect. Dat was ook wat werd geeist: een verklaring voor recht, dat dit artikel van toepassing was.

In het begin van het vonnis lijkt het er op, dat de opdrachtgever helemaal zijn zin krijgt. De scheidsman stelt al direct vast, dat de architect bij de uitoefening van zijn taak als ontwerper ernstig tekortgeschoten was. Dat merkte hij aan als een fout, die een goed en zorgvuldig architect had behoren te vermijden. Voor de schade, die uit die fout voortvloeide was hij dan ook zonder meer aansprakelijk.

En die schade was niet gering: alle binnenspouwbladen en dragende binnenmuren van gasbetonblokken dienden te worden gesloopt. Ook volgens onze scheidsman. En volgens hem zou het door de opdrachtgever gevorderde voorschot van f. 20.000 daar wel onder blijven. Voor die fout volgde dus wel een veroordeling tot betaling van een voorschot; dat was niet het geval met de fout, die de architect gemaakt had met het fiatteren van de derde termijnnota. Die was op grond van de handtekening van de architect op die nota door de opdrachtgever betaald, hoewel de daarmee corresponderende werkzaamheden niet waren uitgevoerd. Het argument van de arbiter voor het afwijzen van een voorschot daarvoor is, dat niet zonder meer vaststond, dat er ook schade was geleden, die het gevolg was van het onterecht gegeven betalingsadvies van de architect.

Formeel is dat inderdaad misschien niet meer dan een advies, maar naar mijn smaak hecht deze arbiter toch wat te weinig gewicht aan het vertrouwenskarakter van de relatie tussen opdrachtgever en architect. De particulier, die aan een architect een volledige opdracht geeft hem te vertegenwoordigen bij de bouw van zijn woning, moet er toch op ke vertrouwen dat de werkzaamheden, die betrekking hebben op een door zijn architect voor akkoord getekende termijnnota, ook daadwerkelijk verricht zijn. Ik ben het wel eens met deze arbiter, dat de betalingsverplichting van een opdrachtgever niet voortvloeit uit de handtekening van de architect, maar uit het feit dat de aannemer de overeengekomen prestatie heeft verricht. Maar dat is alleen van belang voor de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en aannemer. Hier speelde de vraag of in een andere verhouding, die tussen opdrachtgever en architect, iets was gebeurd dat als een wanprestatie van de architect moest worden aangemerkt. Ja dus, constateert de arbiter zelf: de handtekening van de architect dient als bewijs van die prestatie. Waarom hij daar het woordje ‘slechts’ tussen voegt is mij niet duidelijk. Het feit, dat de opdrachtgever op grond van de bewezen prestatie tot betaling overgaat is hier immers het enige dat van belang is. Nu de architect zijn opdrachtgever een vals bewijs heeft geleverd moest hij de daardoor geleden schade vergoeden.

Die schade zou waarschijnlijk alleen bestaan uit het renteverlies van het betaalde bedrag. Dat de arbiter de eis tot betaling van een voorschot op de vergoeding voor het ten onrechte betalen van een termijnnota afwees was dus niet helemaal terecht.

(BR 1996 p. 433)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels