nieuws

Ook dat nog, Maarheeze

bouwbreed

Gemeenten, en niet alleen de kleinere, maken bij de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wet RO) nogal eens fouten. Dat ligt niet alleen aan het ontbreken van specialisten op bestuursrechtelijk gebied, maar ook aan het feit dat in bezwaren-procedures tegen gemeentelijke beslissingen ambtenaren en bestuurders het vaak niet ke opbrengen om van een eenmaal ingenomen standpunt terug te komen.

Het is daarom maar goed, dat we ook op dit specialistische gebied onafhankelijke rechters hebben, die onjuiste beslissingen ke terugdraaien.

De vorige week vertelde ik u, dat de gemeente Maarheeze teruggefloten moest worden door de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toen zij in twee instanties weigerde om aan een gedupeerde inwoner een schadeloosstelling te geven. Die inwoner leed schade door de wijziging van het planologisch regiem, nodig voor de oprichting van een geluidscherm langs de A2. Die schade bestond niet alleen uit een verslechtering van zijn woonklimaat omdat hij tegen een betonnen scherm van 4 meter hoogte moest aankijken en bijna geen zon meer in zijn tuin kreeg. Nee, de opvallendste schade was de extra geluidhinder, die nu juist door het geluidscherm veroorzaakt werd. Door de bijzondere ligging van een huis werd het geluid van het verkeer op andere wegen dan de Rijksweg weerkaatst en dat was voor de Raad van State voldoende reden om te vinden dat in dit bijzondere geval de eigenaar van het huis in een planologisch nadeliger positie was komen te verkeren.

Dat dit de eigenaar een schadeloosstelling van f. 7500 opleverde las u al in het artikel van de vorige week.

Maarheeze had die extra geluidsreflecties wel onderkend, maar vond dat dit nadeel voldoende gecompenseerd werd door de afname van het lawaai vanaf de A2. Bovendien was de schaduwwerking van het scherm niet nieuw want voordat dit werd geplaatst stonden er op het talud rijen bomen. Met dat argument praatte de gemeente twee van de drie door haar geraadpleegde adviseurs na.

Dat waren een makelaar en de opdrachtgever van de bouw van het geluidsscherm, de directie Brabant van de Rijkswaterstaat. Die laatste was natuurlijk niet helemaal onbevooroordeeld en de eerste niet direct deskundig op het terrein van milieuhinder.

Dat was wel de milieudienst van de gemeente Eindhoven, die al in zijn advies van februari 1991 tot dezelfde conclusie was gekomen als de Raad van State 4,5 jaar later.

Toch was de herhaalde afwijzing van het verzoek om schadeloosstelling door Maarheeze nog wel enigszins te begrijpen. Veel erger was, dat deze gemeente zijn inwoner volslagen verkeerd inlichtte over de procedure die in een geval als dit gevolgd moet worden.

De ambtelijke afdeling van het gemeentehuis noch het verantwoordelijke lid van B en W hadden kennelijk de wettelijke regelingen op dit terrein goed bestudeerd. Omdat het raadsbesluit, waarbij het verzoek om schadeloosstelling werd afgewezen, van 19 november 1991 dateerde, had Maarheeze nooit aan zijn inwoner ke schrijven, dat hij tegen de afwijzing een bezwaarschrift kon indienen op grond van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen.

De schrijver van die brief had kennelijk niet verder gekeken dan zijn neus lang was, want in die wet staat nu net, dat zo’n bezwaarschrift niet kan worden ingediend als in een andere wet een andere voorziening is getroffen. Hier had gewezen moeten worden op de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die tot 1 januari 1994 bepaalde dat tegen zulke gemeentelijke besluiten een beroeps- en geen bezwaarschriften-procedure gevolgd moet worden.

Omdat de Maarheezenaar de verkeerde gemeentelijke mededeling volgde had de Raad op 19 mei 1992 de beslissing, waarbij het bezwaar werd afgewezen, genomen in strijd met de wet AROB; de Raad van State begon daarom in zijn vonnis met het vernietigen van die gemeentelijk beslissing.

Daar schoot de gedupeerde inwoner van Maarheeze natuurlijk nog niets mee op, maar de rechter loste een en ander sierlijk op. Omdat de gemeente aan haar gedupeerde inwoner een foutieve informatie had verstrekt kon hem niet verweten worden, dat hij zijn beroepschrift te laat had ingediend. Blijkbaar had de bewoner van de Stationsstraat in dat stadium een advocaat ingeschakeld, die nog binnen de door de gemeente genoemde termijn een beroepschrift kon indienen, maar dat wel deed na de termijn van de Wet RO. De termijnoverschrijding vond de Raad van State in dit geval “verschoonbaar”.

Zo kon de administratieve rechter de “niet-verschoonbare” misser van Maarheeze rechtbreien.

In ‘Ook dat nog’, een populair TV-programma van de KRO, komen we dergelijke missers van gemeenten regelmatig tegen. Zij krijgen daarvoor -afhankelijk van de ernst van de blunder- een aantal punten in het zogenaamde ‘gouden eikel’ klassement. De aard van deze formele fout zal het grote publiek minder aanspreken dan het onthouden van een rechtmatige schadevergoeding. Maar voor hen, die in deze materie zijn ingewijd, zou Maarheeze voor het onjuist informeren van haar inwoner best een gouden eikel hebben verdiend.

Het zou daarom goed zijn als niet alleen bouwers deze rubriek regelmatig lezen. Ook gemeenten zouden er af en toe hun voordeel mee ke doen.

(BR 1996 p. 415)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels