nieuws

Voorzitter Brinkman van jubilerend AVBB: Bouw moet niet alles op zich af laten komen

bouwbreed

“Afwachten is wel het laatste dat men moet doen.” Dat is de kern van het betoog, dat voorzitter mr. drs. L.C. Brinkman van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf afsteekt op de vraag waar het met de bouwnijverheid, de bouwbedrijven en de bouworganisaties heen moet. Het gesprek wordt gehouden aan de vooravond van de jubileumviering “waar de uitvoerende bouw haar visie zal geven op de mens en de bouw in de 21ste eeuw”, zoals de uitnodiging luidt.

Die visie kan op niet veel anders zijn gebaseerd dan op een goed waarnemen van de huidige situatie en een poging die door beleid een beetje mee te sturen in de door jou voorziene niet al te verre toekomst.

Wat dat betreft zegt Brinkman blij te zijn met wat het Planbureau over de investeringen in ons land publiek heeft gemaakt. Kennelijk, zo concludeert Brinkman aan de hand van die publikatie, is er een omslag in het economisch debat tot stand gekomen. Tot voor kort viel vooral de nadruk op het sociaal economische element en veel minder op de feitelijke economische bedrijvigheid.

Tegelijkertijd met die vergrote aandacht voor dat zuiver economische element wordt geconstateerd dat overheden niet langer in staat zijn al die zaken te financieren die voor die gewenste ontwikkeling van die economie wenselijk lijken te zijn.

Meedenken

“Daarom wil de bouw meedenken hoe dat toch gerealiseerd kan worden. Intern zijn we bezig daar met o.a. financiers en mensen uit andere disciplines over te spreken. We praten bijvoorbeeld over een nieuw soort van exploitatie van grote voorzieningen,zoals de kustlocatie en het ondergronds realiseren van infrastructuur.

Samen zoeken we naar mogelijkheden om het geld wat er wel is – er is en wordt enorm veel gespaard – zo goed mogelijk in te zetten. Bijvoorbeeld door de realisering van verzamelpoen als grote distributiecentra enz.”, aldus de AVBB-voorman.

“Dat betekent overigens niet dat aannemers zaken moeten gaan financieren of exploiteren of dat financiers moeten gaan bouwen. We moeten wel allemaal bij onze eigen leest blijven. Maar het zou niet uitsluitende overheid moeten zijn, die het allemaal moet financieren en exploiteren. Die moet al zo veel doen.”

Niet afwachten

Een gegeven dat hem de nodige zorgen baart is het feit dat de aannemer dreigt zijn regisserende taak steeds meer kwijt te raken. “We hebben een fase gekend dat er van het bouwproces veel uit elkaar werd gelegd. Ik vind dat de aannemerij een beetje moet oppassen. Het mag toch niet zo zijn dat een keukenboer – excusez le mot – of badkamerspecialist bij de keuze van een klant terloops opmerkt ‘dat hij ook nog wel een aannemer weet’. Dan ben je te laat. Afwachten is het laatste wat je moet doen. Je moet zorgen dat je de regie in handen blijft houden. Dus niet afwachten en alleen maar ‘aannemen'”, aldus Brinkman.

Kleiner draagvlak

Dat uiteen halen van de werkzaamheden, waardoor steeds meer vooruit gefabriceerd wordt zodat steeds minder werk op de bouwplaats zelf wordt verricht bergt een ander gevaar in zich. Daardoor wordt het aantal bouwbedrijven, dat zijn personeel nog honoreert volgens de cao voor het bouwplaatspersoneel geringer. En dat vermindert de draagkracht. “De overblijvende ondernemingen moeten steeds meer opbrengen ten behoeve van onderzoek en opleiding bijvoorbeeld. De kosten voor een O.- en O-fonds lopen bij een kleiner draagvlak per onderneming steeds maar op. En het heeft zijn repercussies op het sociale terrein als het gaat om pensioenen en vut.” Als we opmerken dat deze ontwikkeling te voorkomen zou zijn geweest als er in de bouw een bedrijfschap zou fungeren dat, los van de vraag volgens welke cao personeel wordt betaald en los van de vraag hoe men als bedrijf georganiseerd is, voor de genoemde zaken heffingen kan opleggen voor die gemeenschappelijke taken, merkt Brinkman op: “Ieder die mij kent, weet dat ik een beetje wars ben van het opleggen van bovenaf. De charme vanuit de historie vind ik nu juist dat die solidariteit binnen een bedrijfstak van onderop georganiseerd is geworden.”

Aparte cao-afspraken

Hij onderkent overigens wel dat de verscheidenheid in bouwactiviteiten met zich mee kan brengen dat men anders georganiseerd wil zijn. “Dat ligt aan de verschillende posities, die men in de markt inneemt. De spoorbouw is tenslotte heel wat anders dan de wegenbouw. En de woningbouwsector verschilt daar weer veel mee.”

Dat brengt hem er toe op te merken dat, ervan uitgaande dat die verschillen er zijn, gewerkt moet gaan worden aan het aanbrengen van variaties binnen een cao voor de bouwnijverheid. Dat kan op het punt van de arbeidstijden bijvoorbeeld als het gaat om wegenbouw of baggerindustrie, maar ook op het punt van arbeidsomstandigheden.

“Dat zal ook een van onze congresthema’s zijn. We willen een discussie over de arbeidsverhoudingen aanzwengelen. Meer flexibiliteit voor bedrijven, kijken naar een andere pensioenopbouw of de vut. We hebben daarvoor dan wel een plafond in de premie afgesproken, maar die premie loopt wel op en dus moeten we indringend met elkaar gaan praten.” Brinkman moet op het punt van collectieve arbeidsovereenkomsten nog wat kwijt: “Ik vind in tegenstelling tot de vakbonden dat er onderscheid mogelijk moet zijn tussen oude regelingen en nieuwe. Ik bedoel te zeggen dat er voor werknemers binnen de cao over dezelfde arbeidsvoorwaarden best verschillende afspraken gemaakt ke worden. Waarbij je dus rekening houdt met mensen, die al in de bedrijfstak werken en anderen die op nieuwe voorwaarden gaan toetreden. Men zegt dan wel dat dat niet kan, maar ik denk toch van wel. We zullen minder krampachtig met dit gegeven moeten omgaan. We moeten trouwens ook gaan praten over de wao. Want of je het wil of niet: de solidariteit tussen bedrijfstakken staat op springen. En dus zal je er wat aan moeten doen. Begrijp me goed, alles hoeft niet in een keer, maar er moet wel wat gebeuren.”

Slagkracht

Aan het eind van het gesprek komen we nog even te spreken over het voornemen van het AVBB de lidverenigingen in een centraal bouwhuis te vestigen. En we willen weten of hij van mening is dat er in de (nabije) toekomst bouworganisaties zullen verdwijnen, eenvoudig door op te gaan in andere.

Of er op den duur minder organisaties in de bouw komen dan er nu zijn, laat hij in het midden. Wel wijst hij op ontwikkelingen in organisatieland tot vergroting van de slagkracht. “Dat blijft niet alleen tot de bouw beperkt. Kijk maar hoe de werkgeverscentrales VNO en NCW naar elkaar zijn toegegroeid. Die grotere slagkracht willen ook wij bereiken via een gezamenlijke huisvesting. En niet alleen vanwege de efficiency, want dan hebben we het alleen nog maar over de zichtbare kosten.”

Kennisbundeling

Er is, zo merkt hij tenslotte nog op, behoefte aan “pooling van kennis”. “Daar ben ik gezien het ‘overlegcircus’ niet ongelukkig mee. We praten met heel veel organisaties, maar niet met de onmiddellijke bedoeling om tot fusie te geraken. We praten veel meer met elkaar op ad hoc-basis, toegespitst op concrete thema’s. Die beweging is heel duidelijk. Vanuit het bestuur ligt er de opdracht dat het niet in de eerste plaats moet gaan om het vertimmeren van de organisatie. Op die door mij geschetste wijze praten we dus met heel veel organisaties, zoals NVTB, VNI en ook met Conga. Samenwerken dus, niet fuseren, want voor je het weet gaat elk hen, vanachter de gevels van die ene organisatie toch weer aan hun eigen gedoe werken.”

Imago-campagne

Hij zegt niet bang te zijn dat die werkgeversorganisaties in de bouw door alle door hem geschetste ontwikkelingen zullen leeglopen. “We leven weliswaar in een tijd van grootschaligheid, maar de tendens is er nog altijd dat men ergens bij wil horen. Overigens zullen die organisaties daar zelf het nodige aan moeten doen. Een imago-campagne is zo gek nog niet, ook al wordt daar nog wel eens meesmuilend over gedaan. Het moet mogelijk zijn mensen ervan te overtuigen dat het in hun eigen belang is ergens bij te horen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels