nieuws

Kiezen tussen prive-auto of een auto van de zaak

bouwbreed

De auto vormt een grote kostenpost. Wat is fiscaal voordeliger, een auto prive of een auto van de zaak?

Er rijden in Nederland momenteel circa een miljoen mensen in een leasewagen van de zaak. Veel werknemers denken dat de zaakauto voor hen het voordeligste is. De werkgever betaalt alle kosten die samenhangen met de auto: aanschaf, verzekering, wegenbelasting, brandstof en onderhoud ongeacht het aantal prive-kilometers dat de werknemer rijdt. Ook de brandstof- en autokosten tijdens vakanties declareert de werknemer bij zijn werkgever. De enige kostenpost waar de zakelijke autorijder zelf mee te maken krijgt is het autokostenforfait.

Als compensatie voor het prive-gebruik moet de zakelijke rijder in zijn aangifte inkomstenbelasting het autokostenforfait toepassen. Voor de zakelijk rijder die tenminste drie dagen per week een enkele reisafstand woonwerk van minder dan 30 kilometer overbrugt, bedraagt de bijtelling 20% van de catalogusprijs in het bouwjaar, inclusief de ‘af fabriek’ meegeleverde accessoires, inclusief btw en BPM. Die bijtelling blijft alle jaren hetzelfde, ongeacht de dagwaarde van de auto, zolang de zaakauto in gebruik is. Is de woonwerkafstand boven de 30 kilometer dan is de bijtelling 24%. Concreet levert een middenklasser van f. 45.000 de zakelijke rijder jaarlijks tenminste een bijtelling (20%) van f. 9000 op. Dat kost hem bij een belastingtarief van 50% voor het prive-gebruik f. 4500 per jaar. Uitgaande van een kilometerprijs gelijk aan de onbelaste vergoeding van 60 cent (’96) per kilometer, moet de zakelijke rijder in het voorbeeld jaarlijks prive tenminste 7500 kilometer rijden om met zijn bijtelling quitte te spelen. Hoe meer kilometers hij prive rijdt, des te voordeliger wordt de zaakauto. Rijdt hij met de zaakauto maar 5000 kilometer prive, dan kosten die kilometers hem 90 cent.

Geen bijtelling

Als een werknemer in verband met het verrichten van werk door de werkgever een personenauto ter beschikking is gesteld, is de werknemer automatisch gehouden aan de bijtelling. Het is niet eenvoudig om daar onderuit te komen. Maar als de werknemer tegenover de fiscus kan bewijzen dat hij minder dan 1000 kilometer per jaar met de zaakauto prive rijdt, vervalt de bijtelling. In die situatie moeten alleen de werkelijke prive-kilometers, bijvoorbeeld 500 km x 0,60 = f. 300, bij het belastbaar inkomen worden geteld. Of aantoonbaar de werkelijke kilometerkosten van de betreffende auto als die lager zijn. In plaats van opgeven in zijn belastingaangifte kan de werknemer ook de werkelijke kosten aan zijn werkgever betalen en dan vervalt de bijtelling.

Tevens moet bij de aangifte een sluitende kilometer-administratie als bewijs worden overgelegd. Die administratie moet voldoen aan strikte regels. De zakelijke rijder moet dagelijks (bijvoorbeeld in een agenda) administreren: de zakelijke en prive ritten; de bestemming van elke rit (naam en adres van bezoek); de gevolgde route met het aantal kilometers; de dagelijkse begin- en eindstand. De woonwerkkilometers worden gerekend tot de zakelijke kilometers. Ter ondersteuning moeten desgevraagd tevens de garagenota’s ke worden overgelegd. Een kilometer-administratie kost wat moeite, maar is vaak de moeite waard.

Vrijgesteld van de fiscale bijtelling is de ‘oldtimer’ van 25 jaar of ouder die als zaakauto wordt gereden. Het bouwjaar van de auto is de basis. Voor de zakelijk rijder is de ‘oldtimer’ fiscaal gezien dus zeer voordelig.

‘Belastbaar voordeel’

De fiscus kent iedere werknemer die in een zaakauto rijdt. Werkgevers moeten jaarlijks bij de loonopgave aan de belastingdienst melden welke werknemer in een zaakauto rijdt.

Ook leasemaatschappijen moeten jaarlijks de namen en adressen van de gebruikers van hun auto’s aan de fiscus doorgeven. Een zaakauto ziet de fiscus als een belastbaar voordeel dat voortvloeit uit de dienstbetrekking van de werknemer. Dat geldt ook voor de directeur/aandeelhouder die werknemer is bij zijn bv. Een werknemer moet de bijtelling voor prive-gebruik in zijn aangifte inkomstenbelasting aangeven onder ‘overige inkomsten uit arbeid’.

Winstcorrectie

Een zelfstandige ondernemer (eenmanszaak of firma) met een zaakauto krijgt voor het prive-gebruik te maken met een winstcorrectie. In principe geldt voor hem dezelfde bijtelling van 20% of 24%. Indien de werkelijke kosten van zijn zaakauto die hij ten laste van het resultaat heeft gebracht lager zijn dan de bijtelling (20% of 24%) behoeft hij alleen die werkelijke kosten bij te tellen. Stel de ondernemer rijdt zakelijk een Jaguar met een catalogusprijs van f. 150.000. Dat zou in principe jaarlijks (20%) een bijtelling geven van f. 30.000. Indien deze Jaguar-rijder ondernemer is en aantoont dat de werkelijke kosten bijv. f. 19.000 bedragen is dat ook het bedrag voor zijn winstcorrectie (bijtelling voor prive-gebruik). Over dat bedrag moet de ondernemer ook btw-afdragen.

Alle kosten van de zaakauto komen in de onderneming ten laste van het resultaat voor belastingen. De btw over aanschaf, brandstof en onderhoud kan worden teruggevorderd. De werkgever moet tevens jaarlijks over de bijtelling prive-gebruik van zijn werknemer btw betalen. Voor 1996 is de btw-afdracht over de bijtelling 12%.

Prive-gebruik

Een werkgever kan aan zijn werknemer een vergoeding vragen voor het prive-gebruik. Die vergoeding mag de werknemer aftrekken van zijn autokostenforfait in zijn aangifte inkomstenbelasting. Brandstofkosten die de werknemer prive betaalt mag de werknemer opvoeren in zijn aftrek ‘arbeidskosten’. Maar een prive betaalde garagenota mag niet als arbeidskosten in aftrek worden gebracht en evenmin in mindering worden gebracht op het autokostenforfait. Gunstiger voor de werknemer is om de werkelijke kosten aan de werkgever te declareren. Als in die situatie de werkgever alsnog een vergoeding eist voor het prive-gebruik, kan die storting wel worden afgetrokken van het autokostenforfait.

Soms weigert een werkgever een zaakauto ter beschikking te stellen voor prive-gebruik. De auto staat ’s avonds achter het hek bij de baas. In die situatie is er voor de werknemer geen bijtelling. Zo is er een bekend arrest over een fiscaal geschil met een voorzitter van de Raad van Bestuur van een grote onderneming die zich in een dure zaakauto met prive-chauffeur liet rondrijden. Tussen het bedrijf en de voorzitter was vastgelegd dat hij de auto niet prive mocht gebruiken. De man werd dagelijks opgehaald en thuis gebracht door de chauffeur, maar ’s nachts stond de zaakauto bij de onderneming. De voorzitter behoefde geen bijtelling toe te passen, besliste de rechter. Maar als niet op papier staat dat de zaakauto niet voor prive mag worden gebruikt, dan moet de achterbank-passagier wel de bijtelling toepassen.

In 1996 kan de werkgever voor de zakelijke ritten met een prive-auto de werknemer onbelast 60 cent per kilometer vergoeden. Deze vergoeding is een forfaitair bedrag en is inclusief de kosten van stalling, parkeren, tol- en pontgeld. Bij een hogere vergoeding dan 60 cent wordt het meerdere tot het loon gerekend. Daarover zijn loonbelasting en premies volksverzekeringen (bij een loon beneden het maximum premieloon) verschuldigd. Overigens zit aan een bovenmatige vergoeding voor de werknemer toch altijd een voordeel.

Daarnaast mag de werknemer een vrijgestelde vergoeding voor woonwerkverkeer ontvangen. Voor 1996 bedraagt die vergoeding bij vier of meer dagen per week reizen:

enkele reisafstand per jaar

0 – 10 km f. 0 10 – 15 km f. 1910 15 – 20 km f. 2360 20 km en meer f. 3240

Voor de onderneming vormt de reiskostenvergoeding kosten die ten laste van het resultaat worden gebracht. De werkgever mag over de onbelaste vergoeding voor zakelijke ritten 12% btw-aftrek claimen. Dat geldt niet voor de vergoeding voor woonwerkverkeer.

Ondernemersechtpaar

Wie moet de bijtelling doen binnen een ondernemersechtpaar waarbij man en vrouw beiden de zaakauto voor prive gebruiken? In de situatie dat een van de echtgenoten een reele meewerkbeloning ontvangt, wordt vaak getracht de bijtelling te delen. Iedere partner krijgt een bijtelling van 10%. Als de arbeidsbeloning van beide partners ongeveer gelijk is, accepteert de fiscus dit. Maar indien het inkomen van bijvoorbeeld de man in een hogere tariefgroep dan zijn partner is belast, volgt daar een tariefsvoordeel uit. Dat pikt de fiscus niet. De bijtelling moet dan plaatsvinden bij de partner met het hoogste arbeidsinkomen.

De Hoge Raad heeft in april 1995 beslist dat een personeelsbusje geen ter beschikking gestelde auto is. Boetes voor verkeersovertredingen met een zaakauto moeten vaak prive worden betaald. De werkgever kan de boete wel aan de werknemer vergoeden, maar de boete is voor de onderneming niet fiscaal aftrekbaar.

Samenvatting

Bij de afweging of de zaak- of prive-auto voordeliger is, spelen veel factoren een rol. Onderstaand een richtlijn voor een vergelijking.

Zaakauto

– Hoeveel kilometer wordt gemiddeld per jaar met de zaakauto prive gereden?

– Weegt het prive-gebruik op tegen de belasting die voortvloeit uit de fiscale bijtelling?

– Kan de zakelijk rijder de bijtelling via een kilometer-administratie voorkomen?

Prive-auto

– Hoeveel kilometer wordt gemiddeld per jaar zakelijk gereden en door de werkgever vergoed?

– Ontvangt de werknemer tevens een onbelaste reiskostenvergoeding voor woonwerkverkeer?

– Weegt de jaarlijkse exploitatie, inclusief afschrijving en financieringslasten op tegen de ontvangen vergoeding (A+B tezamen)?

Voor vragen over accountancy en belastingzaken kunt u bellen met Paul Schol, Moret Ernst en Young Accountants Arnhem. Tel. 026 – 32 09 500.

Teruggaaf-verzoek 24% autokostenfictie?

Op 18 december 1995 heeft de rechter in Den Bosch geoordeeld dat werknemers die de 24% bijtelling in hun aangifte inkomstenbelasting moeten toepassen, worden gediscrimineerd ten opzichte van werknemers met een 20% bijtelling. In een reactie hierop heeft staatssecretaris Vermeend beslist, dat hij de eventuele onverbindend verklaring van de 24% bijtelling laat afhangen van het oordeel van de Hoge Raad.

Bij een gunstige uitspraak van de Hoge Raad ke werknemers op verzoek het verschil terugvragen. Dit geldt voor iedereen van wie de aanslag inkomstenbelasting op 22 maart 1995 nog niet definitief was vastgesteld.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels