nieuws

De logica achter Luxor

bouwbreed

Over twee weken maakt het Rotterdamse college van B en W bekend wie het nieuwe Luxortheater mag ontwerpen op de Kop van Zuid. De zes plannen tonen grote verschillen in aanpak. Op zoek naar de logica ervan.

Het nieuwe Luxor in Rotterdam komt op een opvallende maar lastige locatie: aan de voet van Ben van Berkels brug op de Kop van Zuid. Een druk kruispunt in een kantorenwijk. Al wordt de naastliggende kade van de Rijnhaven opgepept, het is niet een dag en nacht gonzend uitgaanskwartier. Daarom kan het gebouw niet, zoals veel theaters in bijvoorbeeld het Londense West End, gewoon onderdeel zijn van een straatgevel, met alleen wat uithangborden opgesmukt. Wat dit gebouw dan wel moet zijn, hebben alle zes ontwerpers die strijden om de opdracht (Kees Christiaanse, Herman Hertzberger, Jan Hoogstad, Rem Koolhaas, Borek Sipek en Peter Wilson) op een eigen manier geinterpreteerd.

Of de architecten in technisch en financieel opzicht hun werk goed hebben gedaan, kan ik niet beoordelen. De tentoonstelling in de Rotterdamse bibliotheek – na de beslissing op 12 april van B en W opgesteld in het Architectuurinstituut – geeft daarvoor ook te weinig informatie, net als de kleurenbrochure die voor f. 5 bij de tentoonstelling te koop is. Geen van de plannen ziet er bij voorbaat onmogelijk uit. Ach, de een overschrijdt de grenzen van de locatie, de ander heeft het laden en lossen van decors niet lekker opgelost, en weer een ander zal wel meer dan de toegestane f. 55 miljoen nodig hebben – maar aan dat soort rafels in een schetsontwerp is altijd een mouw te passen, mits het enthousiasme voor het idee achter het ontwerp maar groot genoeg is. Daarmee komt de keuze tussen de zes zeer verschillende schetsontwerpen vooral neer op de keuze van een idee, van de logica van het ontwerp.

1. Hoogstads ontwerp is een etalage. Een en al glas aan de kant van de brug, en ook nog een beetje aan de kant van de Rijnhaven. Het exhibitionisme kent geen grenzen: ook de zaal kan helemaal worden opengezet. Net als bij de nouveau riche draait alles – weinig subtiel – om het laten zien dat je naar het theater gaat.

2. Borek Sipek heeft een droomwereld gemaakt die veel meer naar binnen is gericht. Centraal staat een ronde vide. De zaal zit vol krullen. Het is vrolijke, volkse stemmingmakerij. In de foyer dwingt ook Sipek de bezoekers naar Van Berkels brug te kijken. Waarom die obsessie? Het is van die kant, statisch frontaal gezien, het minst interessante beeld van de brug: twee geknikte poten met de weee vorm van x-benen, om het eens volks te zeggen.

3. Christiaanse maakt een stapeling van rechthoekige verdiepingen die doet denken aan de manier waarop architect Maaskant van een gebouw een sculptuur kon maken. Diens kantoorkolos Rivierstaete langs de Amstel in Amsterdam is ook zo’n stapeling. Een imponerend, maar tamelijk willekeurig gebaar om een welk programma dan ook in onder te brengen.

4. Hertzberger is nog weer verder gegaan op het sculpturale pad. Bij hem wordt de sculptuur echter bepaald door het bewegingspatroon van het publiek. De zichtlijnen zijn subtiel gemanipuleerd. Het theater is een gonzend doolhof, als een moderne variant op Piranesi. Deze eigen binnenwereld lokt uit tot bewegen en verkennen. Het ontwerp heeft een eigen logica – de logica van het perpetuum mobile, die nogal gekunsteld is. Daartoe heeft Hertzberger het gebouw zelfs moeten optillen, op gevaar af dat de begane grond een duistere onderwereld wordt.

5. Ook bij Peter Wilson is beweging de voornaamste kracht die de vorm van het ontwerp bepaalt. Heel sophisticated ‘wikkelt’ hij alle functies rond de toneeltoren. Zowel de vrachtwagens voor de decors als het publiek volgen een logisch vloeiende lijn. En net zo logisch is daaromheen een elegante houten en glazen gevel gewikkeld, zodat het gebouw aan alle kanten gelijkwaardig is. Het grootste panorama is gericht op de Rijnhaven in plaats van op dat trotse Rotterdam-Noord. Een zeer Rotterdams uitzicht met oude silo’s en havengebouwen. Wilson bereikt zo een subtiel evenwicht tussen de binnenwereld van het theater en verschillende aspecten van de omgeving.

6. Koolhaas tenslotte heeft geen wikkel, maar een krul gemaakt. Die suggereert hoe het publiek doorloopt van de straat, de enorme foyer in, om in het binnenste van het slakkehuis, de zaal, tot rust te komen. De toneeltoren is in slagorde gezet met de naastliggende ‘rode burcht’ en vormt als quasi-kantoortoren een wereld op zich. Hier wordt gewerkt. Dat is aan de zuidkant overigens wel erg rauw tot uitdrukking gebracht in de onopgesmukte docks voor de vrachtwagens met decors. Ook Koolhaas laat de binnenwereld van het theater zijn eigen rol spelen. Net als bij Wilson heeft het gebouw zijn eigen vanzelfsprekende logica; vergeleken met de overige plannen is het het minst ‘verzonnen’.

Verzinsels houden geen stand op de lange duur. Dan worden het opdringerige gebaren. Logica houdt wel stand. Van de twee meest vanzelfsprekende, logische ontwerpen is dat van Koolhaas het meest eenduidig, helder als een schema. Dat van Wilson is het meest dubbelzinnig. Dus logisch gezien het meest boeiend, het rijkst in betekenissen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels