nieuws

Herziening van verrekenprijzen

bouwbreed

Een aannemer kan de werkelijk verwerkte hoeveelheid materiaal aan zijn opdrachtgever in rekening brengen als die groter is dan de in het bestek vermelde verrekenbare hoeveelheid. Met andere woorden: de financiele gevolgen van die afwijking naar boven zijn dan voor rekening van de opdrachtgever.

Hoe de verrekening van de afwijking van verrekenbare hoeveelheden moet plaatsvinden wordt geregeld in par. 39 van de U.A.V. 1989. Uitgangspunt daarin is, dat die verrekening plaatsvindt tegen de verrekenprijzen, die in de overeenkomst zijn vastgelegd. Als een verrekenprijs te hoog of te laag blijkt te zijn dienen partijen een gewijzigde verrekenprijs overeen te komen, maar dat geldt alleen indien de afwijking van de verrekenbare hoeveelheden meer dan 10 procent bedraagt.

Wat er moet gebeuren als partijen in hun overeenkomst geen verrekenprijs hebben opgenomen zeggen de U.A.V. niet; als in zo’n geval opdrachtgever en aannemer daarover achteraf geen overeenstemming ke bereiken, zal de Raad er aan te pas moeten komen.

In een geschil tussen een baggerbedrijf en Rijkswaterstaat, waarover de Raad van Arbitrage in mei 1995 besliste, was niet zo’n situatie aan de orde, maar de vraag tegen welke prijs de over- en onderschrijdingen van twee baggerwerken moest worden verrekend. Het ging om onderhoudswerken, die in 1987 en 1988 werden opgeleverd. Bij de afrekening van het eerste werk vroeg de baggeraar een herziening van de verrekenprijs omdat hij die had aangeboden tegen 50 procent van de reele marktprijs. Dat had hij welbewust gedaan, waarschijnlijk in verband met de zware concurrentie bij dat soort werken.

Rijkswaterstaat wees in de procedure voor de Raad op par. 39 lid 2 van de U.A.V. Daarin staat dat alleen een verrekenprijs, die te hoog of te laag blijkt te zijn, voor wijziging vatbaar is bij een nadere overeenkomst tussen de aannemer en zijn opdrachtgever. De erkenning van de aannemer, dat hij welbewust aanmerkelijk onder de kostprijs had ingeschreven, bleek fataal voor zijn claim. De arbiters legden dat “blijken” namelijk zo uit, dat dit achteraf het geval moet zijn. Nu het baggerbedrijf bij de inschrijving heel goed wist, dat zijn verrekenprijzen te laag waren, kon het zich niet beroepen op de herzieningsbepaling van het U.A.V.

Dat zou misschien toch nog het geval zijn geweest als de marktprijzen van 1987 aanmerkelijk hoger hadden gelegen dan in het jaar daarvoor, waarin die verrekenprijzen waren opgenomen in het bestek. Maar dat was niet het geval want voor het tweede werk waren in dat jaar nagenoeg dezelfde verrekenprijzen overeengekomen.

Voor dat tweede werk verlengde Rijkswaterstaat de looptijd van het bestek met twee maanden omdat het daarop volgende onderhoudsbestek nog niet gereed was. Die verlenging leidde tot een overschrijding van de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren grond. Daar was geen verschil van mening over. Wel over de verrekenprijs van f. 1,45 per m3, die was overeengekomen.

Nu bevatten de U.A.V. een andere regeling voor de verrekening van meer- en minder werk in geval van bestekswijziging. Omdat de procederende partijen het er wel over eens waren, dat de verlenging van de looptijd een bestekswijziging inhield, was voor de verrekening niet de U.A.V.-regeling over de afwijking van verrekenbare hoeveelheden van toepassing, maar die over de verrekening van bestekswijzigingen. Die staat in par. 36 lid 2 van de U.A.V.:

zulke wijzigingen worden verrekend tegen bedragen of prijzen, die voor de uitvoering van die wijzigingen of, indien hun aard dit belet, zo spoedig mogelijk tussen de opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen.

Er wordt daarbij dus vanuit gegaan, dat die partijen er wel in slagen het met elkaar eens te worden over zo’n nieuwe prijs. Hier lukte dat echter niet, want de aannemer wilde zijn verrekenprijs van f. 1,45 verhogen tot f. 3,60 per m3 terwijl Rijkswaterstaat maar tot f. 2,36 wilde gaan. Zelfs na verhoging met de gebruikelijke opslag van 11 procent voor algemene kosten, winst en risico zou de aannemer nog maar f. 2,62 per m3 ke krijgen.

Nu had Rijkswaterstaat bij het eerste werk in een vergelijkbare bestekspost een prijs van f. 3,43 berekend en dat scheelde dus maar 17 cent met die van het baggerbedrijf. Dat was voor de arbiters van de Raad voldoende om de gespecificeerde berekening van het baggerbedrijf te accepteren en dat betekende toewijzing van geen gering bedrag. De te ontgraven 36.614 m3 grond leverde het bedrijf geen f. 1,45 maar f. 3,60 per m3 op, ofwel f. 78.720,10 excl. btw.

Dat was dus wel een heel zware financiele consequentie van het niet op tijd gereed zijn van een vervolgbestek en de erkenning van Rijkswaterstaat, dat de verlenging van de looptijd van het bestek, waarin een verrekenprijs van f. 1,45 was overeengekomen, een bestekswijziging in de zin van par. 35 lid 1 U.A.V. was. Onze grootste nationale opdrachtgever moest door die erkenning een bedrag van bijna f. 87.000 inclusief btw aan zijn aannemer betalen!

(BR 1995 p. 1025)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels