nieuws

Met de voeten in het water

bouwbreed

Als het grondwaterpeil regelmatig tot boven de vloer van de kelder stijgt zegt men, dat die “met de voeten in het water staat”. Is de architect daarvoor aansprakelijk of kan de aannemer voor de schadelijke gevolgen worden aangesproken omdat hij had moeten waarschuwen voor de fout in de hem voorgeschreven constructie? Voor die vraag kwam de Raad van Arbitrage te staan toen de opdrachtgever zijn aannemer aansprak voor de kosten van het waterdicht maken van zijn souterrain.

Het inschakelen van een architect voor de bouw van een woning houdt niet altijd de zekerheid in, dat je een huis zonder gebreken opgeleverd krijgt. Dat ondervond de opdrachtgever die zijn huis liet ontwerpen door een architect. Die maakte een ontwerp voor een huis met souterrain, bestaande uit een betonnen vloer waarop wanden van kalkzandsteen-elementen moesten worden gemetseld en gelijmd. Vooral omdat dit souterrain ook een woonfunctie moest hebben was dit ontwerp niet deugdelijk; een dergelijke constructie is immers verre van waterdicht.

Het was dan ook niet vreemd, dat er grote vochtplekken op de wanden verschenen en dat was dan ook de reden dat de opdrachtgever van deze bouw betalingstermijnen inhield. Daaruit bleek, dat hij zijn aannemer aansprakelijk hield voor dit ernstige gebrek. Waarom hij zijn architect niet aansprak om vergoeding van de schade, die hij leed door het alsnog waterdicht moeten maken van zijn souterrain is niet duidelijk. Misschien wist hij, dat architecten maar beperkt aansprakelijk zijn voor door hen gemaakte fouten.

Onder de SR 1988 is die beperking echter voor een geval als dit niet zo groot, dat dit een reden kan zijn geweest niet de architect aan te spreken of althans naast de aannemer aansprakelijk te stellen. Of zou ook in dit geval de architect zijn opdrachtgever de AR 1971 onder de neus hebben gehouden in plaats van de SR 1988, die de aansprakelijkheid van de architect aanzienlijk hebben verruimd?

Onder die laatste algemene voorwaarden is het bedrag daarvan tenminste f. 150.000 en is niet eens meer een grove fout van de architect nodig om hem aansprakelijk te maken; voldoende is dat de fout, waarvan het rechtstreeks gevolg de schade is ontstaan, hem verweten kan worden.

Dat zo iets voorkomt bleek uit het geval, dat ik de vorige maand hier besprak. Dat van de lekke glazen dakconstructie. Toen besliste de Raad, dat zowel architect als aannemer schuld hadden aan de lekkage van het dak en dus hoofdelijk aansprakelijk waren. Maar voor welk deel ieder in de herstelkosten zou moeten bijdragen werd in dat vonnis niet beslist. Wel, dat de architect in ieder geval niet meer zou behoeven te betalen dan de helft van zijn honorarium. Dat kwam door het van toepassing verklaren van de AR 1971.

Omdat opdrachtgever en architect dat overeen gekomen waren was de aansprakelijkheid van de tweede veel verder beperkt dan wanneer de opdrachtgever had gezegd, dat hij de SR 1988 van toepassing wilde laten zijn. Daarbij had hij dan de BNA (Bond van Nederlandse Achitekten) achter zich gehad, want die organisatie is verantwoordelijk voor de standaardisatie van deze voorwaarden. Wat ook de reden was, dat deze opdrachtgever alleen zijn aannemer aansprak: hij zat daarmee helemaal fout. Want wat bleek?

De aannemer had nog voor het storten van de betonvloer geconstateerd, dat er water in de bouwput stond. Logisch dat hij de architect daarvan op de hoogte bracht. Die droeg hem in meerwerk een aantal vochtwerende maatregelen op, het zogenaamde blackdicht maken van de wanden. Dat die niet leidden tot een waterdicht souterrain bleek wel uit de grote vochtplekken, die in de wanden ervan ontstonden.

De fout lag natuurlijk bij de architect en de enige omstandigheid, die de aannemer nog aansprakelijk had ke doen zijn was de vraag of hij deze hem voorgeschreven maatregelen als onvoldoende had moeten beoordelen. Die vraag kwam echter helemaal niet aan de orde in de procedure voor de Raad, want die besliste dat hij aan zijn waarschuwingsplicht ex par. 6 lid 14 UAV wel had voldaan. In tegenstelling tot de opvatting van de opdrachtgever, die zijn schadeclaim wilde hardmaken met een verwijzing naar deze UAV-bepaling.

De werkelijke oorzaak van dit duidelijke gebrek lag duidelijk in het ontwerp van de architect en de ongeschiktheid van de maatregelen die hij voorschreef om het souterrain alsnog waterdicht te maken. Hoe onzorgvuldig deze architect te werk is gegaan blijkt wel uit het nalaten van enig boor- of sonderingsonderzoek. De Raad zegt dan ook in zijn vonnis, dat het vooral bij souterrains met een woonfunctie aanbeveling verdient al in de ontwerpfase een dergelijk onderzoek te laten plaatsvinden. Dat had in ieder geval moeten gebeuren toen al in de uitvoeringsfase wateroverlast optrad.

Ook de gemachtigde van de opdrachtgever die hem vertegenwoordigde in de arbitrage-procedure treft in dit geval de nodige blaam. Hij had zijn client moeten adviseren tenminste ook de architect aan te spreken voor de herstelkosten van zijn souterrain. Die had immers op minstens drie fronten gefaald en daar was geen Raad van Arbitrage voor nodig om dat te constateren. Nu werd hij aangesproken door zijn “onschuldige” aannemer tot betaling van het restant van de aanneemsom, waartoe hij wel veroordeeld werd zonder dat hij in zijn tegenvordering ook maar enige kans van slagen had. De kosten van de arbitrage en van zijn gemachtigde bij deze procedure kwamen nu helemaal voor zijn rekening zonder dat hij er een cent wijzer van was geworden!

Nee, hij moest zijn aannemer zelfs nog een rente over de ingehouden termijn van ruim f. 58.600 betalen: vier maanden tegen het wettelijk rentepercentage en vanaf medio 1995 tot de dag van voldoening zelf nog tegen een twee procentpunten hogere rente. Omdat dit vonnis een jaar na medio 1995 is gewezen betekent dit rentebestanddeel nog eens een niet-onaanzienlijke verhoging van de “processchade” van onze opdrachtgever.

Die wordt overigens door een aantal scheidslieden van de Raad nog steeds met “aanbesteder” aangeduid, ook als er helemaal geen sprake is geweest van een formele aanbesteding. De voorzitter van de Raad zou er daarom goed aan doen zijn leden te vragen de wat modernere terminologie in hun vonnissen te gebruiken.

(BR 1996 p. 936)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels