nieuws

Bouwbedrijf kan moeilijk van eigen fouten leren

bouwbreed Premium

“Bouwen houdt verband met techniek maar vergt ook een meer dan gemiddelde aandacht voor de menselijke aspecten. Werknemers in de bouw wisselen nogal eens van betrekking. Iedereen brengt een eigen voorstelling van zaken mee, opgedaan in andere bedrijven. Het bouwbedrijf is daarmee een tijdelijke organisatie waarin men moeilijk kan leren van gemaakte fouten. In dat opzicht is het jammer dat de aannemers die nu uit Duitsland vertrekken, wanneer het over een jaar of vier weer beter gaat, met nieuwe mensen naar Duitsland gaan die niet zelden eerder gemaakte fouten herhalen. Met de voorspelbare problemen als gevolg”, zegt dr. ir. ing. W. Tijhuis *) op grond van zijn promotieonderzoek bij de TU-Eindhoven (UCB) en Kondor Wessels/Berlin.

“De Verdingungsordnung fur Bauleistungen (VOB) stelt dat een aannemer een po in geval van een conflict niet mag opschorten”, legt Tijhuis uit. “In zo’n geval zijn de partijen tot elkaar veroordeeld en gaat men niet meer met evenveel plezier naar de bouwplaats. Bij elke handeling zal de aannemer het risico afwegen dat hij daarmee loopt. En zodra het vertrouwen verdwijnt ontstaat er een werkterrein voor juristen. Daarmee wordt risicomijdend gedrag bevorderd. De aannemer dekt zich steeds meer in en komt daardoor in een geisoleerde positie waardoor hij ook steeds minder invloed kan uitoefenen op het bouwproces. Claims verplaatsen zich door het hele bouwproces heen en bereiken uiteindelijk het laagste niveau waar ze het kleine bedrijf schaden. Dat blijkt onder meer uit de faillissementsgegevens over de Duitse bouw. Niet zozeer de hoofdaannemer wordt het slachtoffer, maar het uitvoerende ambachtelijke bedrijf.

Daar komt bij dat je in Duitsland al heel blij mag zijn als je rekening binnen drie maanden wordt voldaan. Een klein bedrijf dat enkele grote opdrachten heeft lopen en bij elk daarvan een hoge claim kan verwachten heeft niet al teveel financiele speelruimte. Nu kan een klein bedrijf daar lering uit trekken en zodoende de de greep op de situatie verstevigen. Door bijvoorbeeld nacalculaties te doen en instructies op te stellen voor nieuwe projecten.”

Werkdelen

“De VOB schrijft ook voor dat een publieke opdrachtgever een po zo mogelijk in werkdelen moet aanbesteden”, stelt Tijhuis. “Een Nederlandse aannemer geeft vervolgens naar Nederlandse berekening een algemene prijs op en geeft aan hoeveel onder meer het metselwerk kost. De opdrachtgever laat nadien weten dat hij instemt met de begroting voor het metselwerk en wil daarvoor een contract sluiten. Op dat moment realiseert de bouwer zich niet dat hij de algemene kosten en het winstrisico per bouwdeel had moeten berekenen. De Duitse opdrachtgever is namelijk een puzzelaar die aan de hand van de prijsopgaven bepaalt wie wat doet. In zo’n geval zal de bouwer heel wat moeite moeten doen om zijn algemene kosten en winstrisico alsnog geaccepteerd te krijgen. In de traditionele begroting calculeert de aannemer over het totaalpo en komt daarmee uit op een gemiddeld risico. Echter, aan het maken van een kelder in de winter zit veel meer risico dan aan het spijkeren van plinten in de zomer. En als je maar een onderdeel mag doen kun je niet meer middelen.”

Versnipperd

“Aanbesteding naar werkdelen levert een versnipperd bouwproces op waarin het ene onderdeel doorgaans pas in uitvoering kan komen als het andere op de voorgeschreven manier is opgeleverd”, weet Tijhuis. “Het tussentijdse wachten op uitslagen van aanbestedingen kan soms maanden duren waardoor de totale bouwtijd fors kan oplopen. Zou je een po bij een aannemer onder brengen dan kun de je delen nog niet in elkaar schuiven.

De Duitser wenst tussentijdse opleveringen zodat hij deel na deel kan controleren. Die controle kan evenwel flink ontaarden. De desbetreffende opzichters zijn uitstekende vaklieden en weten precies hoe bijvoorbeeld goed metselwerk eruit moet zien. Er zijn maar weinig gebreken die aan hun aandacht ontgaan. Temeer omdat ze hun vergoeding moeten waarmaken. Kleinigheden waar in Nederland overheen wordt gekeken worden in Duitsland nogal eens als grove tekortkomingen voorgesteld. Waar de aannemer hier tegen de opdrachtgever zegt: ‘Dat komt straks wel in orde’ krijgt hij in Duitsland te horen: ‘Dat wordt nu hersteld.’ Overigens niet ten onrechte omdat de bewijslast voor gebreken na de oplevering bij de opdrachtgever ligt.”

“Nu verhogen die tussentijdse controles niet altijd noemenswaardig de eindkwaliteit”, vindt Tijhuis. “Ze ke daarentegen de relatie in het team door alle bureaucratische processen verstikken. Een po kan ook met een opzichter toe. Die zal niet alles zien maar kan toch in grote lijnen beoordelen of het geleverde werk voldoet. Als gevolg daarvan zullen de teamleden ook realistischer met elkaar omgaan. Iedereen weet wat er wordt verwacht, kent de eigen inbreng en weet wie er kan worden aangesproken als er iets scheef is gelopen. Nu is het merkwaardig dat hoofdaannemers steeds meer geneigd zijn om op pobasis mensen in te huren voor de uitvoering. Daar zijn aan de ene kant goede redenen voor; de loonkosten. Aan de andere kant ontstaat daardoor een nogal wisselend niveau. Door die gang van zaken veranderen hoofdaannemers geleidelijk aan in pocoordinators en dreigen daarmee de bestaande pobureaus uit de markt te drukken. Daar is overigens wel iets voor te zeggen omdat het gemiddelde projectmanagementbureau anders dan de aannemer geen aansprakelijkheid meeneemt. Die verkeren in een voor hen gunstige positie: ze oordelen over het budget van een ander zonder daar zelf minder van te worden. Hun toegevoegde waarde is de bemiddelende rol. Die prominente plaats is alleen gerechtvaardigd als daardoor conflicten worden voorkomen.”

*)Dr. ir. ing. W. Tijhuis promoveerde eerder aan de TU Eindhoven op het proefschrift ‘Bouwers aan de slag of in de slag? Lessen uit internationale samenwerking; onderzoek naar Nederlandse ervaringen in het Duitse bouwproces’. Nadere inlichtingen over deze uitgave verstrekt het bureau WT/Consult via postbus 110, 7460 AC Rijssen.

Reageer op dit artikel