nieuws

Woningcorporaties ke buiten regio gaan werken

bouwbreed

Het ministerie van VROM werkt aan een verruiming van de toelating van sociale verhuurders. Rijke woningcorporaties worden in de toekomst in staat gesteld ook buiten de grenzen van hun regio te investeren in woningbouw en andere volkshuisvestelijke poen. Landelijke toelating is echter nog immer een stap te ver.

De verruiming van het werkterrein is het gevolg van een wijziging van het Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH), die afgelopen donderdag in het Staatsblad is gepubliceerd.

Daarin is de bepaling opgenomen dat rijke woningcorporaties hun overmaat aan bedrijfsreserves moeten inzetten voor de volkshuisvesting. Als uitgangspunt geldt dat de individuele corporatie aanspreekbaar is op haar bijdrage aan de volkshuisvestingsopgave, waar de sector als geheel voor staat. Hiermee wil staatssecretaris Tommel voorkomen dat de rijke corporaties “op hun geld gaan zitten”.

Om een maximale inzet van het corporatiegeld te bevorderen zal het rijk een aantal belemmeringen wegnemen. Gedacht moet worden aan een verruiming van het statutaire werkgebied van de corporaties. Desgevraagd laat een woordvoerder van VROM weten dat dit betekent dat een corporatie ook buiten de regio, waarbinnen zij actief is mag gaan werken. “Met verzoeken om toelating buiten de regio zullen we voortaan soepeler omgaan.”

Ten aanzien van de landelijke toelating verandert er niets. Dat betekent dat het corporaties nog steeds niet wordt toegestaan aan de andere kant van Nederland deel te nemen in investeringspoen.

De verruiming van het werkveld komt tegelijk met het meer aan banden leggen van de corporaties op andere terreinen.

Zij moeten zich bijvoorbeeld voortaan vooraf verantwoorden over de activiteiten die zij gaan ondernemen op het terrein van alle zogeheten vijf kerntaken. Dat zijn behalve de zorg voor financiele continuiteit ook het bij voorrang huisvesten van de zogeheten doelgroep van beleid (mensen die niet op eigen kracht in hun huisvesting ke voorzien), het kwalitatief op peil houden van het woningbezit, het betrekken van bewoners bij het beleid en beheer van het woningbezit en het bijdragen aan de leefbaarheid van buurten en wijken.

Voor hun nieuwbouw-activiteiten zijn de corporaties gehouden aan een maximale prijs van f. 243.000 gemiddeld per aanbesteding. Deze grens, prijspeil 1997, wordt telkens geindexeerd.

Aan banden gelegd

De verantwoording over deze en andere zaken dient te worden afgelegd aan de gemeenten. De gemeente krijgt in dit verband het recht op informatie van de corporatie. Volgens Tommel moet dit alles worden gezien als een hulpmiddel bij het op gang brengen van het overleg tussen gemeenten en corporaties over het te voeren volkshuisvestingsbeleid.

In de wijziging van het BBSH is verder opgenomen hoe corporaties met deelnemingen in andere rechtspersonen en vennootschappen moeten omgaan. Ook hiervoor geldt dat deze alleen zijn toegestaan als ze bijdragen aan het realiseren van de kerntaken. Bovendien mag het toezicht op de activiteiten van corporaties niet worden bemoeilijkt.

Over leefbaarheid tenslotte wordt opgemerkt dat hoewel dit primair een bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente is, ook corporaties baat hebben bij “een goede fysieke woonomgeving, een duurzaam woongenot van de huurders en een goed imago van buurt of wijk”. Daarom wordt ook van de sociale verhuurders verwacht dat zij mee zullen werken aan leefbaarheidspoen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels