nieuws

Registratie van onwerkbare werkdagen

bouwbreed Premium

In aannemingsovereenkomsten wordt over de oplevering van de bouw vaak bepaald, dat die moet plaatsvinden binnen een bepaald aantal werkbare werkdagen. De UAV 1989 noemt naast die mogelijkheid nog twee andere, maar de standaard koop-/aannemingsovereenkomst kent alleen een opleveringstermijn, die uitgedrukt is in werkbare werkdagen. Die bouwtijd begint bij de aanvang van de bouw, die schriftelijk wordt vastgelegd ofwel op de dag dat de ruwe begane grondvloer gereed komt.

Als het aantal werkbare werkdagen bepalend is voor de datum waarop de aannemer het gebouw moet opleveren is het van belang, dat over dat aantal later geen problemen ontstaan. Anders dan de UAV bevatten de Algemene Voorwaarden bij de model koop-/aannemingsovereenkomst geen regeling over de registratie van zulke dagen. Dat komt omdat bij de van toepassing verklaring van die UAV het werk wel onder directie wordt uitgevoerd en bij de AV, behorende bij de koop-/aannemingsovereenkomst, niet.

De aantekeningen, die de directie in zijn weekrapporten moet opnemen (par. 27 lid 1 UAV), moeten immers ook betrekking hebben op de onwerkbare dagen. Als de aannemer die rapporten voor akkoord tekent liggen die dagen vast; is hij het met dat aantal dagen niet eens, dan vermeldt hij dat uitdrukkelijk bij de ondertekening. Zo ligt dan een verschil van mening al in een heel vroeg stadium vast en is dat gemakkelijker op te lossen dan bij de koop-/aannemingsovereenkomst.

Hoe moeilijk het daar kan liggen bleek uit het feit, dat de Raad van Arbitrage eraan te pas moest komen toen een aantal kopers/aanbesteders van een appartementengebouw er met hun bouwondernemer niet uitkwamen hoeveel onwerkbare werkdagen zich tijdens de bouw hadden voorgedaan.

Het ging in deze procedure niet om de vraag wat onwerkbare werkdagen precies zijn; dat was in de algemene voorwaarden, die op de in januari 1992 gesloten overeenkomst van toepassing waren verklaard, precies omschreven. De vraag was of en met hoeveel dagen de overeengekomen bouwtijd van 300 werkbare werkdagen was overschreden. Dat aantal was van belang voor de bepaling van de eventueel aan de kopers verschuldigde schadevergoeding, die gefixeerd was op vijftiende promille van de koop-/aanneemsom per kalenderdag, in casu f. 106,05.

De bouwondernemer had zelf het aantal onwerkbare dagen in zijn administratie bijgehouden en kwam aan de hand daarvan tot de conclusie, dat hij het werk binnen de overeengekomen bouwtijd had opgeleverd. De kopers berekenden echter een overschrijding van niet minder dan 89 kalenderdagen. Dit zou hun dus een bedrag van meer dan f. 9400 per koper hebben opgeleverd.

De arbiter van de Raad had hier heel wat rekenwerk aan. Hij begon vast te stellen, dat de bouw in feite op 25 maart 1992 begonnen was en dat de oplevering plaats vond op 18 november 1993. Dat leverde 604 kalenderdagen op. Na aftrek van de 172 zaterdagen en zondagen bleven er dus nog 432 over. Daar kon dus geen verschil van mening over bestaan; wel dus over het aantal van die 432 dagen waarop niet gewerkt kon worden.

De bouwondernemer legde zijn bouwverslagen voor om aan te tonen dat hij een deugdelijke administratie van het aantal onwerkbare werkdagen had gevoerd. Die waren echter op geen enkele manier voor akkoord verklaard door de kopers, zodat de arbiter deze opgaven niet als objectief bewijs kon accepteren. Ook het beroep van de ondernemer, dat het Garantie Instituut Woningbouw een gemiddelde van 180 werkbare werkdagen per jaar aangeeft wilde de arbiter niet honoreren omdat dit veel minder nauwkeurig is dan een berekening op basis van de meteo-gegevens van het dichtstbijgelegen KNMI-station.

Toch waren die KNMI-gegevens niet alleen zaligmakend in deze procedure. De kopers wezen er heel eerlijk op, dat van de 23 onwerkbare werkdagen in de periode 1 april tot 31 december 1992 er vier dagen toch was gewerkt, zodat er 19 onwerkbare werkdagen in 1992 overbleven. Daar kwam de bouwondernemer ook op, zodat het verschil in 1993 moest zitten. In het eerste helft van dat jaar kwamen de kopers op 15 onwerkbare werkdagen (20 echte minus 5 toch gewerkte); omdat voor de bouwvakvakantie van 1993 het gebouw waterdicht was, zodat regen, wind en vorst geen invloed meer kon hebben op de voortgang van het werk, kwamen zij op een totaal van slechts 15 onwerkbare werkdagen. De bouwondernemer had er 18,5 meer geregistreerd en over dat aantal ging dus het hele geschil.

De arbiter pluisde eens uit waardoor dat verschil was ontstaan. Een van de oorzaken bleek te liggen in het feit, dat de bouwer ook halve dagen had meegeteld en dat was volgens hem niet juist omdat de toepasselijke Algemene Voorwaarden alleen hele onwerkbare dagen kennen.

Een andere reden voor het verschil zag de arbiter in het feit dat in maart 1993 werkzaamheden waren verricht, die minder vorstgevoelig zijn. Het Sociaal Fonds Bouwnijverheid had in die maand slechts een dag als onwerkbaar geregistreerd voor minder vorstgevoelige werkzaamheden. De 6 dagen van Misset voor vorstgevoelige werkzaamheden, die de bouwer had geboekt, werden daarom door de Raad niet in aanmerking genomen.

Het belangrijkste verschil zat echter in de vraag of het gebouw inderdaad voor de bouwvak-vakantie waterdicht was. In een bouwverslag (dat hier kennelijk wel als objectief bewijs werd geaccepteerd!) zag de arbiter, dat dit pas op 17 september 1993 zo was. Daarom konden alle onwerkbare werkdagen in de maanden juli, augustus en september tot de 17e worden meegeteld.

Zo kwam hij op een totaal van 29 onwerkbare dagen. Dat leverde aan elk van de kopers/aanbesteders een bedrag op van 29 maal f. 106.05 oftewel f. 3.075,45. Maar zou dat genoeg zijn geweest om hun kosten voor deze procedure te dekken?

(BR 1996 p. 848)

Reageer op dit artikel