nieuws

De lekke glazen dakconstructie

bouwbreed

Hoofdelijkheid is een juridisch begrip, dat we in het gewone taalgebruik als zelfstandig naamwoord nergens tegenkomen. Passieve hoofdelijkheid komt het meest voor in de bouwwereld. De schuldeiser kan dan ieder van de hoofdelijke schuldenaren aanspreken voor de gehele schuld. Als de aangesprokene die voldoet, is ook de andere hoofdelijke schuldenaar tegenover zijn schuldeiser van zijn schuld bevrijd.

Zo’n geval deed zich volgens de Raad van Arbitrage voor toen zich lekkages voordeden in een schuine glazen dakconstructie van een motel. Die constructie was ontworpen door een architect; in het kader van een bezuiniging op het oorspronkelijke ontwerp werd in het bestek de beglazing van binnenuit opgenomen. De aannemer, die kennelijk wat meer inzicht had in de risico’s daarvan, waarschuwde voor deze manier van beglazen, maar volgde het bestek getrouw toen zijn waarschuwing in de wind geslagen werd. Hij kreeg gelijk, er gingen zich ernstige lekkages voordoen waarvoor de opdrachtgever zowel zijn architect als de aannemer aansprakelijk stelde. De architect, omdat hij een ernstige fout had gemaakt en de aannemer vanwege het feit dat hij in de aannemingsovereenkomst de verplichting op zich had genomen om alle fouten te herstellen, uit welke oorzaak die ook maar mochten voortspruiten. Ook dus als zij het gevolg waren van een verkeerd ontwerp.

De architect probeerde zijn aangepaste constructie goed te praten. Hij wees erop, dat door het aanbrengen van glaslatten aan de binnenzijde het onderhoud van het glazen dak eenvoudiger was en dat het ook inbraakveiliger was dan zijn eerste ontwerp. Maar dat verhaal werd door de arbiter niet helemaal serieus genomen. In ieder geval ging het tweede argument niet op. De afdichting aan de buitenkant op de horizontale tussenregels was gebeurd met een aluminium lijst. Omdat die van buitenaf was vastgeschroefd kon die ook eenvoudig van buitenaf verwijderd worden.

Volgens de arbiter, die eerst steekproeven met een tuinslang had gehouden, moest de oorzaak van de lekkages gezocht worden in het beglazingssysteem. Dat was volgens hem binnen redelijke grenzen (welke grenzen hij daarmee bedoelt geeft hij helaas niet aan; financiele zijn het niet want die volgen daarna) en met inachtneming van het beperkte budget niet deugdelijk uit te voeren. Daarom was er volgens hem sprake van een ernstige ontwerpfout, maar waar die fout gemaakt was geeft hij ook niet aan, zodat we in dat opzicht van zijn vonnis niets ke leren.

In de van toepassing verklaarde AR 1971 is de kwalificatie van de fout als “ernstig” voorwaarde voor het aansprakelijk zijn van de architect (art. 33). Hij was door de van toepassing verklaring van die verouderde algemene regelen voor de rechtsverhouding tussen architect en opdrachtgever echter maar voor de helft van zijn honorarium aansprakelijk. Als de opdrachtgever niet had zitten slapen en de standaardvoorwaarden van 1988, de SR 1988, van toepassing had laten verklaren, had de arbiter de fout niet eens “ernstig” behoeven te vinden. Dan was de architect aansprakelijk geweest voor een bedrag van f. 150.000 en als zijn honorarium hoger was dan dat bedrag voor dat volle honorarium tot een maximum van anderhalf miljoen gulden.

De opdrachtgever had zich voor dit soort risico’s erg eenzijdig ingedekt. Waar de schuld voor de schade van f. 183.200 helemaal bij de architect lag, was de aannemer op grond van een bepaling in de overeenkomst aansprakelijk. Hoe hij in ’s hemelsnaam deze heeft ke ondertekenen is mij een raadsel. Letterlijk stond daarin: “aannemer dient gedurende een periode van tien jaar na de oplevering binnen redelijke tijd alle eventuele schade, fouten defecten of tekortkomingen die aan het po ontstaan of daarin aanwezig zijn, binnen redelijke tijd te repareren of op te heffen, onverschillig of deze schade, fouten, defecten of tekortkomingen uit het ontwerp, de constructie of de uitvoering van het po voortspruiten”. Onze aannemer was dus niet alleen voor zijn eigen fouten verantwoordelijk, maar ook voor die van zijn opdrachtgever en zijn architect! De bescherming door de Raad tegen dit soort onbillijke praktijken gaat blijkbaar niet zover als misschien wel wenselijk is. De opdrachtgever kreeg zijn claim niet alleen tegen zijn architect die hem met zijn al lang achterhaalde AR 1971 bij de neus had genomen toegewezen, ook die tegen zijn aannemer werd gehonoreerd.

Wat in dit vonnis opvalt is, dat hij zich contractueel alleen verplicht had zelf de gebreken te herstellen; de overeenkomst bevatte geen risico-bepaling over de aansprakelijkheid van de schade, maar dat maakte voor de arbiter niets uit. Hoewel de opdrachtgever er geen bezwaar tegen had dat zijn aannemer de fout herstelde bleek op de zitting van de Raad, dat de aannemer niet tot reparatie genegen was, maar daartoe had de arbiter hem ke dwingen.

Dat gebeurde niet. Het arbitrale vonnis luidde, dat zowel de aannemer als de architect aansprakelijk waren voor de herstelkosten van het glazen dak. Dat zij beiden de herstelkosten volledig moesten “dragen”, zoals de arbiter daaruit concludeert, is wat voorbarig. Het feit, dat zij beiden voor de volledige herstelkosten aangesproken konden worden, zodat de een betalende de ander bevrijd zou zijn, houdt niet in dat zij uiteindelijk allebei het volledige bedrag dienen te betalen. Degene, die dat bedrag betaalt, heeft immers een verhaalsrecht op de andere hoofdelijk aansprakelijke. Welke de verhouding is, waarin architect en aannemer in die kosten uiteindelijk moesten bijdragen, werd hier terecht niet beslist.

Dat zou het onderwerp moeten zijn van een volgende procedure. Daarin zit de aannemer wel met het probleem, dat zijn aansprakelijkheid niet beperkt is zoals die van de architect. Door de werking van de AR 1971 hoefde die immers maar voor de helft van zijn honorarium in die herstelkosten bij te dragen. Zo boet een domme aannemer voor de gehaaidheid van een architect!

(BR 1996 p. 841)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels