nieuws

‘Aanpak problemen vereist privaat-publieke samenwerking’

bouwbreed

H.J.C. Oud, voorzitter van de Betonvereniging, heeft vorige week in De Doelen te Rotterdam tijdens de Betondag een aantal pittige uitspraken gedaan. Oud zag voor Nederland een aantal maatschappelijke problemen zoals onder andere schaarse ruimte, mobiliteit en het milieu; zijns inziens zaken waarop de betonindustrie als bedrijfstak in een strategische samenwerking bepaalde initiatieven gezamenlijk zou moeten ontplooien.

Dit zou gerealiseerd moeten worden door individuele bedrijven in onderlinge samenwerking oplossingen aan te laten dragen voor deze maatschappelijke problemen.

Totdat ik de laatste suggestie hoorde kon ik volledig meegaan met de heer Oud. Zijn pleidooi voor het anticiperen op problemen is iets waar ik het zonder meer mee eens ben. Echter, de verwachting dat de betonindustrie, of ook wel de gehele civiele bouw in z’n geheel in staat zou zijn om dit in gezamenlijkheid aan te pakken, is mijns inziens een utopie zolang de overheid in Nederland, als opdrachtgever van deze bedrijfstak, haar positie als ‘eenzijdige besteksschrijfster’ handhaaft. Waarom zou deze bedrijfstak miljoenen aan strategische research en technologische ontwikkelingen uitgeven, zolang deze overheid bepaalt hoe de hazen rennen? Nog maar een paar jaar geleden sloot een van de grootste civiele aannemers in Nederland haar afdeling ontwikkeling en research. De reden was dat buitenlandse aannemers die letterlijk de bestekken volgden, in de praktijk meer kans hadden op succes en niet de kosten van de technologische ontwikkelingen hoefden te dragen.

Om in Nederland een publiek- en private samenwerking van de grond te krijgen, niet alleen binnen de beton- en civiele branche, maar ook met de overheid als partner, zullen grote inspanningen vereist zijn. Gemeentelijke, provinciale en rijksdiensten zullen dan namelijk een stuk van hun vertrouwde beleidskaders (lees: autonomie) moeten inleveren. Het resultaat zal zijn dat de civiele bedrijfstak in z’n geheel en de betonindustrie in het bijzonder opeens wel bereid zullen zijn in strategische ontwikkelingen te investeren. Het spreekt vanzelf dat het geestelijk eigendom van de ontwikkelingen binnen goede juridische kaders moeten worden vastgelegd. De revenuen ke dan terugvloeien naar de kennisontwikkelaars en de markt zal zeker bereid zijn om een deel van haar winsten in deze technologische ontwikkelingen terug te ploegen.

Het Centrum Ondergronds Bouwen is een goed voorbeeld hoe de privaat-publieke samenwerking in kennisvermeerdering gestalte kan krijgen. De hier ontwikkelde kennis zal zeker ook bescherming behoeven.

Het belangrijkste punt in deze discussie is dat in de civiele techniek het gevoel ontbreekt dat (bouw)technologie ook een ‘geestelijk’ eigenaar kan hebben. Net zo goed als er een bureau voor de bescherming is van muziekrechten (BUMA) zou ook de kennis van civiele technologie beschermd moeten worden. Kennis zou door een dergelijk bureau ‘ingekocht’ ke worden, om deze daarna weer ‘door te verkopen’ aan de hoogste bieder of laagste inschrijver. Dit klinkt misschien futuristisch, maar in andere takken van industrie, zoals elektronica, software en de procesindustrie is dit een dagelijkse realiteit.

Ik zou graag willen dat de door de heer Oud voorgesteld ‘strategische samenwerking’ de betekenis krijgt van een Nederlandse overheid die samen met het Nederlandse bedrijfsleven de toekomstige problemen van ons land op gaat lossen door het inzetten van ‘beschermde kennis’.

*) Ing. Jaap Ketel, algemeen directeur Ketel Consulting Agents BV te Harderwijk.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels