nieuws

VROM hanteert inmiddels gedoogbeleid bij vervuilde grond Realisme wint terrein bij bodemsanering

bouwbreed

Den Haag had het nog wel zo mooi bedacht. Maak vervuilde bodems brandschoon, laat de vervuiler opdraaien voor de kosten, en werk aldoende het hele probleem in een generatie de wereld uit. Helaas voor de politici is de praktijk sterker dan de leer gebleken. Ben Viveen, senior adviseur van Heidemij Advies: “Het probleem wordt inmiddels veel pragmatischer aangepakt. Realisme voert nu de boventoon.”

Bodemsanering is een jaarlijks terugkerend onderwerp bij de behandeling van de VROM-begroting in de Tweede Kamer. Logisch, gezien de omvang van het probleem, en de kosten die met de oplossing ervan zijn gemoeid.

In de debatten wordt door de politici en bewindslieden formeel nog steeds vastgehouden aan het beleid dat zo zorgvuldig is uitgestippeld en nog niet eens twee jaar geleden met de Wet Bodembescherming officieel van kracht is geworden.

Wie echter verder kijkt dan de poorten van het Binnenhof, leert dat het beleid inmiddels door de praktijk is ingehaald. Ook voor bodemverontreiniging is een heus gedoogbeleid ontstaan.

En volgens Heidemij-adviseur Viveen is dat maar goed ook. Want als strikt zou zijn vastgehouden aan de rigide wet- en regelgeving op het terrein van de bodembescherming zou er nauwelijks meer een saneringspo van de grond zijn gekomen.

“Twee, drie jaar geleden”, aldus Viveen, “had ik nog weleens het gevoel van ‘waar zijn we nu mee bezig’. Als er weer een groot saneringsplan voor me lag, dat zo’n f. 80 miljoen moest gaan kosten, bekroop me soms de vraag of het allemaal wel zo zinvol was. Vaak belandde zo’n plan immers, puur vanwege de kosten, in een la bij de opdrachtgever. Dat is nu niet meer zo. Nu denk ik: ‘het gaat de goede kant op, er gebeurt echt wat’.”

Inzicht

Die omslag is veroorzaakt door het groeiend inzicht dat veel van de regels, zoals die op het ministerie van VROM zijn bedacht en door het parlement zijn bekrachtigd, onwerkbaar zijn. Ze bleken in de praktijk eenvoudigweg te streng, te duur en in veel gevallen ook onuitvoerbaar.

Een voorbeeld is het principe: de vervuiler betaalt. De insteek was dat, als sprake was van bodemverontreiniging, de veroorzaker ervan moest worden opgespoord, die vervolgens zou moeten opdraaien voor de kosten. “Dat is een redelijke mislukking geworden”, bevestigt Viveen. “Oorzaak is onder andere de onduidelijke en gebrekkige milieu-regelgeving uit het verleden. Reden dat bijvoorbeeld een Rutte en een Zegwaard de dans hebben ke ontspringen. Maar een andere reden is dat een heleboel verontreinigingen zijn ontstaan, zonder dat er sprake was van illegale activiteiten. En dan kun je moeilijk tot vervolging overgaan.” Het falen van dit principe blijkt duidelijk uit de VROM-begroting. De opbrengst van het kostenverhaal wordt geraamd f. 1,4 miljoen. “Alleen de advocaatkosten zijn al hoger. Een lachertje, dus.”

Een ander uitgangspunt van het bodembeschermingsbeleid, dat onder bewind van toenmalig minister Alders tot stand is gekomen, was dat sanering in alle gevallen moest leiden tot herstel van de ‘multifunctionaliteit’ van de bodem. Anders gezegd, een zwaar verontreinigde bodem dient na de schoonmaak weer geschikt te zijn om kroppen sla op te verbouwen. Dat streven is onhaalbaar gebleken, omdat het veel te duur was en veel te veel tijd kostte.

Eind 1993 al kwam de commissie Welschen tot de conclusie dat zaken als de stadsvernieuwing, herinrichting van binnenstedelijk gebied, en revitalisatie van bedrijventerreinen, stagneerden omdat de bodemsanering niet van de grond kwam. “Toen heeft de wal het schip gekeerd. En is men tot de conclusie gekomen dat het zo niet verder kon.”

Generatie

De derde pijler van het bodembeschermingsbeleid die is ingestort, is het streven om het gehele probleem van de bodemvervuiling in een generatie tijd de wereld uit te helpen. Dat is niet haalbaar gebleken, omdat zoveel bodems vervuild zijn, maar vooral ook omdat met het schoonmaken ervan veel teveel geld is gemoeid.

Viveen: “In het verleden zijn hele grote bedragen genoemd, uiteenlopend van f. 20, f. 50 tot wel f. 100 miljard. Iedereen sprong er vervolgens op in. Inmiddels zijn we weer tot meer normale proporties teruggekeerd. De markt stabiliseert zich, en saneert zich inmiddels weer redelijk. Er gaat nu f. 1 miljard tot f. 1,5 miljard in bodemsanering om. Dat betekent dat het nog heel lang kan duren voordat Nederland schoon is. Maar voordeel is dat we nu wel de ergste plekken het eerst aanpakken.”

De bodemsanering-branche is volwassen geworden, constateert Viveen. “Als er vervuilingen worden geconstateerd, dan benaderen opdrachtgevers die veel pragmatischer. Het realisme heeft de overhand gekregen. En dat is een goede zaak.”

Dat pragmatisme richt zich onder andere op de financiering. “Vroeger”, herinnert zich Viveen, “wees een provincie een vervuilde locatie aan, en werd gewacht totdat het rijk met geld over de brug kwam. Nu wordt steeds vaker de oplossing gezocht in cofinanciering, waarbij rijk, gemeente en projectontwikkelaars gezamenlijk een duit in het zakje doen. Ook wordt gekeken naar de herbestemming. Het Amsterdamse plan voor de Omval is daar een goed voorbeeld van. Het was een klein hoekje, waar voor f. 30 miljoen moest worden gesaneerd. Als je dat op zichzelf bekijkt is dat veel te veel geld. Het valt echter mee, als je hoogbouw erop plant, zoals hier is gebeurd. Op de totale bouwkosten van de Rembrandt Tower vallen die f. 30 miljoen nog wel mee.”

Uitvoering

Op het gebied van de uitvoering wordt eveneens pragmatischer gehandeld. “Men gaat nu eerst de hot-spots aanpakken. Pas daarna komt de rest. In Deventer bijvoorbeeld vindt in de Raambuurt een sanering plaats, waarbij de huizen blijven staan, en de grond die daartussen ligt een meter diep wordt afgegraven. Na sanering kun je weer een tijd vooruit. De mensen die er wonen voelen zich weer veilig, en de negatieve spiraal waarin de buurt zich bevond, is doorbroken. Voor relatief weinig geld. De rest moet nog wel een keer worden schoongemaakt, maar dat kan altijd later nog.”

En tenslotte wordt pragmatischer omgegaan met de regelgeving. “Je kunt wel alles heel gedetailleerd voorschrijven”, zo zegt Viveen, “maar in de praktijk werkt dat niet. Reden waarom in de VROM-begroting wordt gesproken van een ‘integrale’ benadering’. In de praktijk komt dat neer op een gefaseerde aanpak. Einddoel is nog steeds herstel van de multifunctionaliteit, maar het ministerie laat toe dat naar die situatie fasegewijs wordt toegewerkt. Eerst functioneel saneren, en later zien we wel verder. Er heeft zich op dit punt dus duidelijk een gedoogbeleid ontwikkeld.”

Ondertussen wordt, opnieuw want pas twee jaar na de officiele inwerkingtreding van de Wet Bodembescherming, gewerkt aan bijstelling van de regels. Ook daaruit blijkt het toegenomen realisme. Zo wordt in het kader van het zogeheten BEVER-po gewerkt aan deregulering. “Zeer verstandig”, aldus Viveen, “want inmiddels zijn de regels zo ingewikkeld geworden dat zelfs de grote bedrijven er maar moeilijk meer uit ke komen. Bovendien blijken procedures vaak overbodig of niet goed te werken. Daar wordt flink in gesneden.”

Daarnaast is er een aantal proefpoen begonnen. Zoals Nobis, waarin ambtenaren samen met mensen uit de praktijk bezien hoe in situ-saneringen werken. “Voorheen was het altijd zo: afgraven en grond reinigen. Nu denkt men veel meer na over in situ saneringen, bijvoorbeeld bij tankstations. Daar worden bacterien in de grond gebracht, die de olie afbreken. Het duurt langer, het wordt ook iets minder schoon, maar het is wel veel goedkoper.

Je ziet dat bij de ontwikkeling van milieubeleid de praktijk steeds meer wordt verbonden met de beleidsmakers. En ik moet zeggen: dat werkt heel goed.”

Ir. Ben Viveen, senior adviseur van Heidemij Advies: “…eerst de hot-spots aanpakken.” Foto: Fotobureau ’t Sticht/Henk Tukker

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels