nieuws

Kloosterkolos van

bouwbreed

de Spoorwegen

Cor Hospes

Als NS Bouwmeester Cees Douma in 1959 voor het eerst HGB 111 van de Nederlandse Spoorwegen binnenstapt, gaat er een golf van afschuw door hem heen. De glas-in-lood ramen en de brede stemmige gangen met hun lage bogen en gewelven; hij denkt in een klooster te zijn beland. Maar zodra hij zijn hoge grote werkkamer van 25 m2 betreedt, sluit hij het gebouw direct in zijn hart.

“Zeg nou zelf”, vertelt hij met een weids armgebaar, “waar maak je het nog mee dat je zo’n riant kantoor krijgt, met zulke hoge ramen, eiken houten kasten en houten lambrizeringen. En die ingebouwde klok daar, destijds aangestuurd door een centrale ‘moederklok’, was in die tijd echt een unicum.”

Douma opent een eiken houten deurtje waarachter een wastafel te voorschijn komt. “Zo konden kantoorklerken die de hele tijd met inkt en koolstofpotloden schreven tussentijds hun handen wassen. En kijk, dit slaapbankje. Als je nachtdienst had, kon je daarop een uiltje knappen.”

Vijfenzeventig jaar geleden werd Hoofdgebouw 111 van de NS officieel in gebruik genomen. Een derde administratiekantoor is nodig door de fusie tussen de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HIJSM) en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS) waarvan de kantoren, ook vandaag nog, iets verderop langs de Utrechtse Catharijnesingel staan.

HGB 111 is sinds een aantal jaren een monument en biedt vandaag plaats aan 1400 werknemers. Enkele onderdelen van het interieur zijn ‘beschermd gebied’ zoals de commissarissenzaal, de betimmering in de personeelszaal en het glas-in-lood op het bordes van de eerste verdieping van de bekende glazenier Jan Schouten. “HGB 111 behoort niet tot de voordeligste plekken van de Spoorwegen” weet Douma, “want de stookkosten van het gebouw zijn erg hoog en het aantal vierkante meter per werknemer eigenlijk veel te groot.”

HGB 111 is ontworpen door spoorwegarchitect G. W. van Heukelom, ook verantwoordelijk voor onder meer de stations van Weert, Roosendaal, Geldrop en Maastricht. In het laatste zijn volgens Douma elementen van HGB111 terug te vinden. Maar eigenlijk kent de NS-burcht van Van Heukelom geen gelijke.

Douma: “Je zou ke zeggen, dat het Shell-gebouw in Den Haag er een beetje op lijkt. Dat oogt tevens als een wolkenkrabber zoals Frank Lloyd Wright die aan het begin van de jaren twintig in Manhattan neerzette. Van Heukelom is door hem beinvloed. Met name door diens centralisme. Maar Van Heukelom liet zich vooral inspireren door de baksteenarchitectuur en ritmische bouwstijl van Berlage. Iedere verdieping is gelijk. Slenterend door de gangen kun je dan ook makkelijk verdwalen.”

Van Heukelom tekent zijn bakstenen bouwsel, in de volksmond beter bekend als de inktpot, in een keer op vloeipapier. Wonderbaarlijk snel staat het gevaarte drie jaar later al op zijn plaats. In totaal zijn in de NS-burcht 22 miljoen bakstenen gebruikt. Voor de houten plafonds, lambriseringen, kasten etc. is 4000 kubieke meter Limburgs eikenbos nodig, dat de NS speciaal daarvoor aankoopt, evenals twee steenfabrieken.

Daarnaast ziet een eigen bouwbedrijf het levenslicht: NV Het Spoorwegbouwbedrijf, waaruit later Strukton zal ontstaan. “En een aardig detail”, vertelt Douma, “in de fundering hebben ze 21 kilometer tweedehands spoorstaal verwerkt. Door WO I is er een tekort aan staal.”

HGB 111 telt vier verdiepingen, in carre-vorm om een grote binnenplaats, vroeger een Engelse tuin. Aan iedere zijkant van het gebouw liggen halverwege de trappenhuizen. Zijn dat meestal hoge straten van licht, in HGB 111 lijken ze het meest op geheimzinnige putten waaruit een duister schemerrijk naar boven komt. Het oostelijke trappenhuis markeert de hoofdingang en heeft nog eens drie verdiepingen met daar bovenop een toren van 52 meter. Douma: “Om die optisch te verkorten, heeft Van Heukelom die naar boven verwijdt; de wanddikte van de schacht verkleint zich.”

Bovenin de toren hangt een lampornament van opaalglas, waarvan het schijnsel lijkt te zwemmen in een zee van helder blauw licht Wanneer Douma naar boven kijkt, wordt hij terstond overvallen door een bijna devoot gevoel. Hij rept over een mysterieus Rembrandt-licht en Escher-achtige effecten. “Dit is voor mij de meest bijzondere plek van het gebouw.”

Voorbijgangers turen tevens regelmatig naar de geheimzinnige sacrale gloed. Ook zij ke, wellicht betoverd door het magische licht, alleen nog waarderende woorden aan de NS-kolos wijden. “Dit gebouw heeft persoonlijkheid en ziet er heel wat anders uit dan al die glazen kantoren die je overal ziet verrijzen. Aan het begin moeten nieuwkomers, net zoals ik destijds, aan de machtige uitstraling van HGB 111 wennen. Maar ik denk dat er geen klooster is dat zo snel mensen kan bekeren.”

De kloosterkolos.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels