nieuws

Hoe blijft vermogen binnen familie?

bouwbreed

Familie Steen (de familie- en roepnamen zijn gefingeerd) denkt na over de overdracht van de ouderlijke woning van f. 400.000 vrije verkoopwaarde aan de kinderen om in de toekomst successierechten te besparen.

Vader Tim (55 jaar) is DGA (directeur-grootaandeelhouder) van een bedrijf van f. 5 miljoen. Hij is buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd met Ans (53 jaar). Zoon Gerard (32 jaar) en dochter Joke (30 jaar) zijn beiden gehuwd.

Tim en Ans willen graag zo lang mogelijk in hun eigen woning blijven wonen. Hoe ke zij fiscaal vriendelijk het vermogen van de eigen woning aan de kinderen schenken en toch levenslang in de woning blijven wonen? De familie Steen heeft verschillende opties. Voor het in bewoonde staat aan de kinderen verkopen, zitten Tim en Ans nog in een gunstige leeftijdsgroep. In hun situatie accepteert de fiscus als uitgangspunt 60% van de vrije verkoopwaarde van de woning (leeg) = f. 240.000. Over dat bedrag is 6% overdrachtsbelasting ( f. 14.400 = per kind f. 7.200) verschuldigd. Overdrachtsbelasting moet in beginsel door de kinderen (kopers) worden betaald, tenzij de overdracht plaats vindt ‘vrij op naam’ (verkoper).

Het bedrag van de koopsom wordt schuldig gebleven door de kinderen en daarna door de ouders ‘kwijtgescholden’. Een kwijtschelding is een schenking waar Gerard en Joke in principe schenkingsrecht over moeten betalen.

De koopsom schenken kan op twee manieren: in een keer of in jaarlijkse termijnen.

Bij een schenking ineens vanaf het 18e maar voor het 35e jaar van de kinderen kan van de eenmalige schenkingsrechtvrijstelling van f. 39.119 (in 1996) worden geprofiteerd. Daarop moeten de kinderen een beroep doen en bij de fiscus een aangifte schenkingsrecht indienen.

In alle situaties kan zonder enige formaliteit van de jaarlijkse schenkingsrechtvrijstelling van f. 7.823 (1996) worden geprofiteerd.

In het rekenvoorbeeld waarbij Gerard en Joke beiden de helft van de koopsom wordt geschonken en zij juridische eigenaar worden, werkt dat als volgt uit:

Koopsom per kind van f. 120.000 minus eenmalige vrijstelling van f. 39.119 is f. 80.881.

Het verschuldigd schenkingsrecht per kind (tariefgroep 1 volgens tabel) is f. 5.401. Voor de overdrachtsbelasting en het schenkingsrecht geldt de zogenaamde ‘anti-cumulatie regeling’. Dit betekent dat de verschuldigde overdrachtsbelasting van het schenkingsrecht mag worden afgetrokken. In dit geval is de overdrachtsbelasting ( f. 7.200) hoger en daarmee vervalt het schenkingsrecht.

Indien het schenkingsrecht f. 10.000 zou zijn, minus f. 7.200 overdrachtsbelasting, resteert per kind aan schenkingsrecht f. 2.800.

Koopsom

Een alternatief is dat niet de koopsom, maar de ‘woning in bewoonde staat’ wordt geschonken. Dan is geen overdrachtsbelasting verschuldigd, maar alleen schenkingsrecht en wel net zo veel als anders aan overdrachtsbelasting zou moeten worden betaald. Een tweede variant is het schenken van de koopsom in porties van de jaarlijkse schenkingsvrijstelling ( f. 7.823). De familie Steen doet daar 15 jaar over om ‘vrij van schenkingsrecht’ de volledige koopsom naar beide kinderen over te hevelen. Vader Tim is dan circa 70 jaar. Bij deze variant krijgen de ouders een vordering op de kinderen.

De kinderen moeten tijdens de looptijd jaarlijks een reele rente (in 1996 geldt 6% als zodanig) aan de ouder betalen. Deze rente is fiscaal aftrekbaar bij het kind, maar fiscaal belast bij de ouder. Of dit fiscaal interessant is, is afhankelijk van de schijf inkomstenbelasting waarin de rente valt bij de ouder en het kind.

In het eerste jaar zijn de beide kinderen van familie Steen 6% rente over f. 120.000 verschuldigd; ieder f. 7.200 rente. Aftrek in de 50% IB-schijf levert een fiscaal voordeel op van f. 3600. Maar als vader Tim over de rente 60% belasting moet betalen ( f. 4320), levert dat per saldo een fiscaal nadeel op van f. 1220 (x2). Dat schiet niet erg op.

Het kan worden opgelost met een renteloze vordering van de ouders aan de kinderen, mits de vordering direct opeisbaar is. De directe opeisbaarheid moet wel reeel zijn. De beide kinderen van de familie Steen moeten in staat zijn om op basis van eigen zekerheden op ieder gewenst moment bijvoorbeeld bij de bank f. 120.000 te lenen met als onderpand een eigen huis of een spaartegoed).

Ook in een later stadium – als de som van de vordering inmiddels is gedaald – kan de vordering alsnog renteloos worden gemaakt. Tim en Ans Steen ke de rente jaarlijks vooraf vast stellen op bijvoorbeeld 0%.

Hoogbejaard

Als de ouders hoogbejaard zijn – bijvoorbeeld ouder dan 85 jaar – moet van de rechter 90% van vrije verkoopwaarde worden toegepast omdat de sterftekans dan is toegenomen.

Wat wordt rechtspositie ouders? Het vermogen en eigendomsrecht van de woning is inmiddels overgeheveld naar de kinderen. Hoe kan nu de rechtspositie van de ouders die levenslang in de woning willen blijven wonen, veilig worden gesteld?

Er zijn twee opties: levenslang huurrecht of levenslang vruchtgebruik.

Bij huurrecht wordt tussen ouders en kinderen een zakelijke huurovereenkomst met een reele huur afgesproken. Een vuistregel daarvoor is – afhankelijke van lokale marktomstandigheden – 8% van de werkelijke waarde ( f. 32.000 per jaar).

Taxatierapport

Verstandig is de huurprijs te baseren op een taxatierapport van een makelaar. De zakelijke huur moeten de ouders uit hun netto- inkomen aan de kinderen betalen (niet aftrekbaar) en is bij de kinderen wel belast voor de inkomstenbelasting. De kinderen mogen echter de zakelijke lasten, zoals rente, afschrijving (15% van de kale huur) en onderhoud aftrekken.

Bij een betrekkelijk nieuw of onderhoudsvriendelijk pand is deze optie meestal niet fiscaal aantrekkelijk. Als er achterstallig onderhoud met veel aftrekposten aan het pand zit, kan verhuur voor de kinderen juist wel een interessante optie zijn.

Wie op veilig wil spelen moet een zakelijke huur afspreken, anders kan het fout gaan bijvoorbeeld met de fiscale claim successierecht op het moment van overlijden van de ouders. Indien geen huur is betaald kan de fiscus de overdracht zien als een ‘fictieve verkrijging’.

Dat zou als vader Tim na 5 jaar overlijdt als volgt uitwerken. De fiscus neemt de werkelijke waarde op het moment van overdracht ( f. 400.000) minus het bedrag dat de kinderen hebben betaald ( f. 240.000) plus de gemiste rente daarover op basis van enkelvoudige interest (6% gedurende 5 jaar) van f. 312.000 = f. 88.000.

De beide kinderen moeten ieder over f. 44.000 in de nalatenschap successierecht betalen. Dat kan oplopen tot 27%. Overigens is de wijze van berekening van de fictieve verkrijging aanvechtbaar. Er is een resolutie uit 1965 op basis waarvan het goed verdedigbaar is dat er helemaal geen sprake is van een fictieve verkrijging. Voor zover bekend heeft nog niemand een beroep op deze resolutie gedaan.

Vruchtgebruik

Een alternatief voor het huurrecht is het levenslang recht van vruchtgebruik. Voor de ouders is dat zakelijke recht heel erg sterk. De blote eigenaars (kinderen) ke dat recht er niet eigenhandig afhalen en bijvoorbeeld de ouders uit het huis zetten.

Figuurlijk gezien kunt u vol eigendom zien als een volle bol. Zodra levenslang recht van vruchtgebruik op een woonhuis wordt gevestigd, wordt de helft van de eigendomsbol bloot. Voor de kinderen groeit het bloot eigendom op het moment van overlijden van de ouders weer aan naar vol eigendom.

De eigenaars (kinderen) ke zelfs aan de vruchtgebruikers (ouders) het recht geven om de zaak (woonhuis) waarop het vruchtgebruik is gevestigd te verkopen. Naast het woongenot ke ouders dus ook de beschikkingsmacht over het woonhuis behouden.

Hoe pakt het vruchtgebruik voor de ouders uit voor de aangifte inkomstenbelasting? Voor hen verandert er niets. Als vruchtgebruikers blijft voor de ouders – alsof zij eigenaar van de woning zijn – het huurwaardeforfait van toepassing. Bij de kinderen verandert er in de ouder-kind-relatie (vruchtgebruiker-bloot eigenaar) in deze situatie voor de inkomstenbelasting ook niets.

Dat is een uitzondering, want per 1 januari 1996 is de wet gewijzigd en moet de bloot eigenaar in de meeste situaties aangifte doen van de jaarlijkse aangroei van bloot naar vol eigendom. De ouders moeten als vruchtgebruikers net als voor 1 januari 1996 in dit geval 80% van de werkelijke waarde ( f. 320.000) aangeven voor de vermogensbelasting.

Bij levenslang vruchtgebruik speelt voor de kinderen altijd voor de successierechten het probleem van de ‘fictieve verkrijging’. Het verschil tussen de werkelijke waarde ( f. 400.000) minus wat de kinderen hebben betaald en vermeerderd met enkelvoudige rente, wordt in de nalatenschap voor de successierechten meegeteld.

Een variant op vruchtgebruik is ‘levenslang persoonlijk recht van gebruik en bewoning’. De ouders hebben dan geen zakelijk, maar een persoonlijk recht. Dat is juridisch minder sterk. De eigenaars (kinderen) ke er gemakkelijker vanaf. Bij dit persoonlijk recht hebben de ouders bijvoorbeeld niet meer de beschikkingsmacht over de woning.

Paul Schol in samenwerking met Mr. Marnix van Rij, Moret Ernst en Young Belastingadviseurs, Arnhem. tel. 026 – 3209500.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels