nieuws

EIB moet meer bouwmarkt voorspellend werken

bouwbreed

Het EIB zal in de toekomst meer bouwmarkt voorspellende onderzoeken moeten verrichten. Daarnaast zal het moeten proberen meer opdrachten binnen te halen van individuele bedrijven of clusters daarvan. Deze aanbevelingen deed AVBB-voorzitter Brinkman op een bijeenkomst ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum van het onderzoeksinstituut.

In zijn woorden liet Brinkman er geen twijfel over bestaan ook in de toekomst nut en noodzaak van het EIB te erkennen. De veranderende vraag noopt in zijn visie tot een aantal aanpassingen voor het EIB. Dit bracht hem op een aantal aanbevelingen voor het instituut.

Hij dacht daarbij onder meer aan strategische allianties met collega onderzoeksbureaus die ook in belangrijke mate met collectief geld worden gefinancierd. Ook de ontwikkeling van alternatieven en meer systeembeschrijvingen van scenario-denken behoorde daartoe. Het allerbelangrijkste echter is wel de kennisoverdracht van onderzoeksresultaten, waarbij tevens hoort de vertaalslag richting doelgroepen.

De AVBB-voorzitter deed verder een oproep aan bouwbedrijven om niet toe te geven aan de zogenoemde enquetemoeheid. “De gevoelens van zorg over de afnemende bereidheid tot respons van directeur Buur deel ik volledig.”

Het nut van het EIB was in zijn ogen de wijze waarop informatie beschikbaar komt. “De professionele beslisser heden ten dage kan over 1400 keer meer informatie beschikken dan in 1980. Toen ik dat las, prees ik mij gelukkig met de gedachte dat de bouw al 40 jaar lang een beroep kan doen op het EIB, onze eigen bouwdatabank.”

Aanbevelingen

Ook EIB-voorzitter Ben Kempen ging in op het nut van het instituut. “Soms verwijt men het EIB geen aanbevelingen te formuleren. Maar is dat geen compliment als je een vergelijking maakt met publicaties waarin wel aanbevelingen worden gedaan, waarbij je moet vaststellen dat deze niet of nauwelijks sporen met de conclusies van het onderzoek?, zo vroeg Kempen zich af.

Hij ging eveneens in op de enquetemoeheid. Opvallend noemde hij daarbij dat bij onderzoeken waarbij het eigen belang wel herkend wordt, er van een wezenlijk betere respons sprake is. Mede daarom wilde hij kijken in hoeverre het EIB in de toekomst wellicht de te hanteren onderzoeksmethodiek kritisch tegen het licht kan houden om die te beoordelen op praktische toepasbaarheid. Ook een mogelijkheid is het zoeken naar terugkoppelingsmechanismen naar respondenten, zodat die zelf de uitkomsten van het onderzoek in hun eigen bedrijf ten nutte ke maken.

Staatssecretaris Tommel hield het EIB voor dat er nu en in de toekomst in toenemende mate vraag zal zijn naar onderzoeken op het gebied van gebruik van ruimte en milieu. Hij wees erop dat in ons land het gebruik van de ruimte steeds complexer zal worden. Als voorbeeld daarvan noemde hij het toenemende dubbele ruimtegebruik zoals bijvoorbeeld de overbouwing van de Utrechtse baan in Den Haag, “Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de extra kosten, maar ook naar toekomstige baten op het gebied van ruimtegebruik en de meerwaarde. Die ligt vooral in de hoogwaardige kwaliteit van de gebouwde omgeving. Economische methoden zijn daarbij van groot belang. Er blijft dus economisch onderzoek nodig, waaraan het EIB haar bijdrage kan leveren”, zo zei de bewindsman.

PBO

Bouw- en Houtbond FNV-voorzitter Roel de Vries toonde zich eveneens zeker van het belang van het EIB, toen, nu en in de toekomst. De behoefte aan de verzameling van allerlei voor de bouw relevante statistisch gegevens zal volgens hem alleen nog maar toenemen. Hij wees daarbij op het feit dat het Sfb steeds minder in staat zal zijn betrouwbare gegevens over de gehele bedrijfstak te verstrekken in verband met de wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid en de wijzigingen in de ziektewet en de wao.

In dit verband waarschuwde hij ook tegen een te grote afhankelijkheid van projectfinanciering. Een deel collectieve financiering zal altijd nodig blijven. Dat dit betekent dat de bedrijfstakwig groot blijft, erkende De Vries. Maar hij meende dat die een veel minder grote invloed heeft op de concurrentiepositie dan wel eens wordt gezegd. Hij wees daarbij onder andere op de invoering van het werklandbeginsel, waardoor bedrijven van buiten Nederland geen concurrentievoordeel meer hebben boven bedrijven uit eigen land.

Wat wel een reeel gevaar is in zijn ogen is de verdergaande vervaging van sectorgrenzen in het productieproces, hetgeen tot uitholling kan leiden van de collectieve financiering in de bouw. Een oplossing daarvoor had hij ook al: de al jaren gekoesterde wens van het instellen van een publiekrechtelijk bedrijfstakorgaan voor de bouwnijverheid.

“Dat klinkt bijna als vloeken in de kerk.” Maar De Vries is ervan overtuigd dat het kabinet binnenkort zal bevestigen dat de PBO-constructie, mits goed vorm gegeven in een modern jasje, ook in de 21e eeuw een belangrijk instrument is voor het ontwikkelen van sector- en branchebeleid.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels