nieuws

De voorlopige ingebruikneming

bouwbreed

Als de opdrachtgever van een bouwwerk om welke reden dan ook wil, dat het werk wordt opgenomen voordat zijn aannemer hem heeft bericht, dat het voor opneming gereed is, kan hij daartoe zelf het initiatief nemen. Hij moet dan niet het werk vervroegd ingebruiknemen (par. 10 lid 2 UAV) maar de mogelijkheid van de voorlopige ingebruikneming benutten. Daardoor wordt namelijk het werk niet als opgeleverd beschouwd zoals bij de vervroegde ingebruikneming.

De UAV bevat een nauwkeurige regeling van die voorlopige ingebruikneming. Deze voorwaarden gaan er van uit, dat de aannemer zijn medewerking verleent aan de wens van de opdrachtgever om het werk of een deel daarvan op te nemen, zodat het feitelijk in gebruik genomen kan worden. Met de belangen van de aannemer worden in die UAV-regeling immers rekening gehouden: als hij daardoor meer moet doen dan redelijkerwijs van hem op grond van het bestek verlangd kan worden, wordt dat als meerwerk verrekend en als er door de ingebruikneming schade aan het werk ontstaat, komt die niet voor zijn rekening.

Het was dan ook wat verrassend, dat de aannemer van een schoolgebouw in Zwolle zijn medewerking aan de opneming van het werk niet wilde verlenen. De school was bijna gereed, maar de opdrachtgever had een andere reden voor het opnemen van die nieuwbouw.

Omdat het werk uiterlijk op 12 augustus 1996 opgeleverd moest worden had de opdrachtgever/eigenaar het bestaande schoolgebouw aan een derde verkocht. Het aannemingscontract voor de nieuwe school en het verkoopcontract voor het oude gebouw waren kennelijk niet goed op elkaar afgestemd, want de opleveringsdatum van dat laatste was in de koopakte op 1 augustus bepaald, 12 dagen voordat de aannemer het nieuwe gebouw gereed diende te hebben.

De UAV bood de oplossing van dit probleem: het werk kan ook worden opgenomen als het nog niet klaar is, maar toch voorlopig in gebruik genomen wordt. Meestal zal zich zo iets voordoen als een onderdeel van het werk gereed is en zonder problemen feitelijk in gebruik genomen kan worden. Maar hier ging het om het hele gebouw. Door zijn verplichting tot oplevering van het oude schoolgebouw op 1 augustus 1996 en de noodzaak om de verhuizing naar het nieuwe gebouw op 12 juli te beginnen, wilde de opdrachtgever op die laatste datum vastgelegd zien wat er voor tekortkomingen aan het werk waren voor zover dat gereed was.

Als hij voor de mogelijkheid van een vervroegde ingebruikneming gekozen had, zou hij die mogelijkheid niet hebben gehad. De term ‘vervroegd’ is hier eigenlijk niet op zijn plaats, omdat par. 10 lid 2 van de UAV het alleen heeft over het geval dat de opdrachtgever het werk wel voltooid acht, maar van zijn aannemer nog geen bericht heeft gehad dat het kan worden opgenomen. In zo’n situatie wordt het werk als opgeleverd beschouwd op de vijfde dag nadat de opdrachtgever zijn aannemer heeft bericht dat hij het werk wel voltooid acht. Een opneming van het werk wordt dan niet geregeld in de UAV. Als een opdrachtgever deze weg kiest loopt hij dus de kans, dat hij zijn rechten tot herstel van de gebreken verspeelt.

Hier was eigenlijk van een situatie sprake, die niet in de UAV geregeld is; geen (oneigenlijke) vervroegde ingebruikneming omdat de UAV het alleen heeft over een geval dat de opdrachtgever het werk wel voltooid acht terwijl zijn aannemer dat kennelijk niet vindt, ook geen ‘voorlopige’ ingebruikneming, want er moest definitief verhuisd worden.

De opdrachtgever koos natuurlijk voor de laatste mogelijkheid: ingebruikneming voordat het werk voltooid was. De UAV bevat echter geen verplichting van de aannemer om aan opneming van het werk in zo’n geval mee te werken. De regeling geeft de opdrachtgever zelfs niet het recht om het werk ‘voorlopig’ in gebruik te nemen als het niet van te voren is opgenomen.

Waarom de aannemer niet aan die opneming wilde meerwerken is niet helemaal duidelijk. Hij dacht, dat hij door een opneming voor de contractuele opleveringsdatum voor geweldige verrassingen zou ke komen. Als bij die oplevering bijvoorbeeld goedkeuring van het werk achterwege zou blijven, was hij niet eens in staat om in de voor de deur staande bouwvakvakantie de gebreken te herstellen. Na die vakantie zou het gebouw volledig in gebruik zijn genomen en zou het heel moeilijk zijn de bouw te voltooien.

Er kwam daarom een kort geding waarin de opdrachtgever eiste dat zijn aannemer mee zou werken aan de door hem noodzakelijk geachte opneming. De President van de Zwolse rechtbank vond, nu door deskundigen was geoordeeld dat ingebruikneming op 12 juli 1996 in bouwkundige zin goed mogelijk was, dat de aannemer moest meewerken aan de opneming van deze nieuwbouw en wel op straffe van een forse dwangsom. De nadelige gevolgen voor hem van de op die opneming en daarop volgende ‘vervroegde’ ingebruikneming kwamen immers allemaal voor rekening van zijn opdrachtgever.

Er is iets opvallends aan dit vonnis. Waarom oordeelde de gewone rechter over dit geschil en niet de Raad van Arbitrage? De UAV waren immers van toepassing verklaard en daarin staat toch dat geschillen door dit arbitrage instituut dienen te worden beslecht. De aannemer beriep zich dan ook op de onbevoegdheid van de President, maar die wees dat af met de enkele opmerking dat de arbitrale clausule in de UAV op zich aan zijn bevoegdheid in kort geding niet in de weg staat.

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat inderdaad een artikel, dat in een geval als dit de president zich onbevoegd kan verklaren, niet dat hij dit moet doen! De procureur van de opdrachtgever had kennelijk meer vertrouwen in een kort geding voor de gewone rechter dan voor de Raad van Arbitrage en speculeerde er op, dat de Zwolse president geen gebruik zou maken van de mogelijkheid om de zaak naar de Raad te verwijzen.

(BR 1996 p.839)

Reageer op dit artikel