nieuws

Bouw minder belangrijk voor nationale economie

bouwbreed Premium

“Het is moeilijk te voorspellen welke ontwikkelingen de bouw te wachten staan. De prognoses tonen echter wel duidelijk aan dat het aandeel van de bouw in de nationale economie terugloopt. De bouwkosten stijgen relatief sneller dan de inflatie zodat de relatieve prijs van bouwproducten toeneemt. Een stijgende arbeidsproductiviteit zorgt echter voor een gedeeltelijke compensatie. De bedrijfstak kan het verloren terrein in elk geval voor een deel terugwinnen door in te schrijven op Europese aanbestedingen”, menen de onderzoekers J. Hakfoort en P. van Casteren (*) van respectievelijk de Stichting voor Economisch Onderzoek en van de economische faculteit van der Universiteit van Amsterdam.

“Het EIB, het CPB en VROM hanteren elk hun eigen methodes voor het opstellen van een bouwprognose en streven daarmee ook een eigen doel na”, stelt Hakfoort. “Over de hele lijn is geen duidelijke winnaar aan te wijzen; wel voorspellen bepaalde organisaties onderdelen van de bouwproductie beter dan andere. In het geval van VROM gaat het om informatie voor de markt die voor een deel ook het beleid ondersteunt. Dat is wel minder dan vroeger toen het welbeschouwd om bouwplanning ging. Het EIB geeft voornamelijk informatie aan de bedrijfstak door terwijl het CPB vooral een macro-prognose maakt waarin de bouw een deel van een groot model is. De methode komt voort uit econometrische modellen, aangevuld met informatie over bijvoorbeeld overheidsbudgetten. In de loop van de tijd zijn deze modellen sterk verbeterd en leveren zeker betrouwbaarder voorspellingen dan het bestuderen van koffiedik of theebladeren.

Fluctuatie

“Voorspellingen maken over een bedrijfstak als de bouw is verre van eenvoudig”, vindt Van Casteren. “De bouw produceert kapitaalgoederen en die zijn nogal aan fluctuatie onderhevig”, vult Hakfoort aan. “Vervroegen of uitstellen van investeringen veroorzaakt een grillig beeld. Verder reageert het aanbod traag op de vraag. Met dat in gedachten mag je rustig stellen dat de instituten het helemaal niet zo gek doen. Daar zijn echter wel enkele kanttekeningen bij te plaatsen. In het geval van de woningbouw is in de vijftien jaar van onze onderzoeksperiode sprake geweest van een systematische onderschatting van de groei”, weet Van Casteren. “Dat feit droeg voor 81 procent bij aan de geregistreerde fout. Voor de b en u droeg deze onderschatting voor 77 procent bij aan de fouten. Oftewel: men ging ervan uit dat het slecht ging terwijl het in de praktijk niet zo was. Ook in de combinatie van b en u, gww en klein onderhoud komt die systematische onderschatting naar voren en veroorzaakt in 81 procent van de gevallen een fout. Een minder pessimistische kijk kan hier al heel wat verbetering teweeg brengen. Het lijkt erop dat de voorspellingen eerder verband houden met sentimenten dan met berekeningen. In de onderzochte periode was er sprake van een overschatting van de groei van de gww en dat droeg voor 63 procent bij aan de fouten.

Hoogconjunctuur

“In tijden van hoogconjunctuur zijn de instituten wat te voorzichtig en wijzen in sommige gevallen zelfs op krimp”, stelt Van Casteren. “In periodes van laagconjunctuur zijn de voorspellingen ook aan de voorzichtige kant, wijzen niet voldoende op de negatieve gevolgen terwijl in sommige gevallen zelfs een lichte groei wordt voorspeld. Met die systematisch al te optimistische of al te sombere houding geven de instituten de conjunctuur niet goed aan. Anders gezegd: de instituten ke wat meer lef oefenen. De vroeger betoonde voorzichtigheid ontstond voor een deel omdat het ene instituut veel naar het andere keek en men gezamenlijk op een gemiddeld standpunt uitkwam. Instrumenten voor de korte termijn zoals de conjunctuurbarometer van het EIB geven redelijk aan of het goed of slecht gaat. Die ke de basis leggen voor beter gefundeerde uitspraken over omslagpunten.”

“Uitgaande van een betrouwbaarheid van 95 procent geeft VROM een alleszins redelijke voorspelling van de totale bouwproductie voor de periode ’89-’94”, licht Hakfoort toe. “De fout komt uit op – 2,5 tot +3,9 procentpunt. Heb je een voorspelling van 2 procent dan liggen de marges rond die getallen zodat de voorspelling zich tussen – 0,5 en +5,9 beweegt. Wordt een groei van 5 procent verwacht dan zal het werkelijke groeicijfer liggen tussen 5 procent min 2,5 en 5 procent plus 3,9. Ook in de voorspellingen van andere instituten komen foutmarges voor als gevolg van bepaalde veronderstellingen en verkeerde inschattingen van ontwikkelingen. Voorspellingen moet je om die reden meer zien als indicatie dan als absolute waarheid. Het voorbeeld van VROM geeft aan dat de totale bouwproductie tussen ’89 en ’94 redelijk te voorspellen was.”

Voortgangscontrole

“Anders ziet de VROM-voorspelling voor de u-bouw over de periode ’80-’88 eruit”, vult Van Casteren aan. “Toen lag de marge tussen – 25,2 procent en +21 procent. Had je in die periode een stijging van 5 procent voorspeld dan zou de werkelijke groei bij een betrouwbaarheid van 95 procent zijn uitgekomen op – 20,2 tot +26 procent. Oftewel: met die gegevens kon je weinig beginnen. Nu is dit wel een extreem en niet erg representatief voorbeeld.”

“Deze prognoses werden op basis van de voortgangscontrole gemaakt. Die controle gebeurt aan de hand van het aantal afgegeven bouwvergunningen voor projecten van meer dan f. 50.000. Maak je prognoses op grond van nationale rekeningen dan neem je ook kleinere werken mee. In die rekeningen komen ook meer- en minderwerk voor. Bij de voortgangscontrole gaat het alleen om de bouwsom die bij de vergunning is opgegeven. De nationale rekening leverde over de periode ’80-’88 een betere voorspelling voor de u-bouw op. De foutmarge is in dat geval gehalveerd; nagenoeg hetzelfde als in de periode ’89-’94.”

“Met dat in gedachten kun je constateren dat te kleiner het segment is te moeilijker het wordt een juiste prognose op te stellen”, zegt Van Casteren. “Daar komt bij dat de aannames in een bepaald stramien zijn gevat”, voegt Hakfoort toe. “De structuur van de bedrijfstak en de uit te voeren werken zijn door innovaties, een andere organisatie van het bouwproces en internationalisering aan soms snelle verandering onderhevig. Door middel van innovaties ke bedrijven meer kansen krijgen schokken in de conjunctuur op te vangen en werken over het hele jaar uit te spreiden. Die verbeteringen zullen geen al te grote invloed uitoefenen op de status van prognoses. Temeer niet omdat over de bouw steeds meer informatie komt. De instituten ke daarmee sluitender voorspellingen maken.”

Onzekerheid

“Aan die voorzichtigheid droeg ook de overgang van een voornamelijk sociaal georienteerde woningbouw naar een meer marktgerichte”, stelt Van Casteren. “Dat introduceerde enige onzekerheid waarmee de instituten geleidelijk aan meer ervaring opdoen. De vrije sector laat zich moeilijker voorspellen omdat de poen niet in een programma vastliggen. Maakt vervolgens de economie onverwachte sprongen mee dan ke de prognoses wel eens sterk afwijken van het werkelijke beeld.”

“Kijk je naar de gang van zaken in de algemene economie dan is er vooralsnog geen reden om aan te nemen dat het wel eens beduidend slechter zou ke gaan zoal sommigen willen doen geloven. Met enige fantasie zou je ke stellen dat wanneer meer productiebedrijven werk overbrengen naar lagelonenlanden aannemers minder opdrachten krijgen voor nieuwbouw en renovatie van bedrijfsgebouwen. Zou dat op grotere schaal gebeuren dan nog blijft de invloed daarvan op de bouw als geheel beperkt. Echter, praat je over internationalisering dan heb je het ook over poen die buitenlandse bouwers in Nederland aannemen. Over de gevolgen daarvan valt nog weinig te zeggen zoals ook weinig concreets valt te melden over de invloed van het werk dat Nederlandse aannemers in het buitenland uitvoeren op de onzekerheidsfactor van prognoses.”

*) Hakfoort en Van Casteren publiceren binnenkort een gedetailleerd verslag van hun bevindingen in het wetenschappelijke tijdschrift Maandschrift Economie. Nadere inlichten verstrekken beiden via telefoon 020-6242412.

Reageer op dit artikel