nieuws

Vervroegde ingebruikneming benzinestation

bouwbreed

De oplevering van een bouwwerk vindt plaats op de dag dat de opdrachtgever het goedkeurt. De Uniforme Administratieve Voorwaarden van 1989 bevatten een uitvoerige regeling hoe die goedkeuring plaatsvindt. Ook de Algemene Voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf uit 1992 kennen een op veel punten gelijkluidende regeling van de oplevering.

Als alles volgens een van die algemene voorwaarden geschiedt heeft de oplevering plaats op de dag dat de opdrachtgever bericht, dat het werk door hem is goedgekeurd. Niet altijd vindt er echter een goedkeuring plaats, al dan niet met vermelding van een aantal kleine gebreken, die nog in de onderhoudstermijn hersteld dienen te worden. Voor die gevallen geldt dan een bijzondere regeling.

Als de opdrachtgever niet binnen acht dagen het werk opneemt nadat zijn aannemer hem schriftelijk heeft bericht, dat het daarvoor gereed is, treedt een fictie-bepaling in werking. Dat wil zeggen, dat het werk geacht wordt goedgekeurd te zijn, hoewel dat dus eigenlijk niet het geval is. Dezelfde fictie wordt gehanteerd in het geval dat het werk in gebruik wordt genomen voordat het is goedgekeurd.

In de U.A.V. wordt zo’n ingebruikneming, voordat het werk voltooid is, uitdrukkelijk aan de opdrachtgever toegestaan als dat de voortgang van het werk maar niet in gevaar brengt. In de A.V., die van toepassing plegen te worden verklaard bij werken die niet onder toezicht van een directievoerend architect worden gebouwd, ontbreekt zo’n uitdrukkelijke vermelding van die bevoegdheid.

Toch waren die A.V. in 1994 van toepassing verklaard op de aannemingsovereenkomst voor de bouw van een tankstation annex autowasplaats en cafetaria. Dat complex werd op 23 augustus 1994 in zijn geheel opgeleverd als tenminste het proces-verbaal van oplevering van die datum als zodanig kon worden erkend.

Hoewel het door zijn architect en een vertegenwoordiger van de aannemer was ondertekend, ontkende de opdrachtgever dat dit namens hem was gebeurd. De architect had het werk wel begeleid en de bouwvergaderingen bijgewoond, maar geen directie gevoerd over het werk, zodat hij volgens zijn opdrachtgever niet bevoegd was hem bij de opneming te vertegenwoordigen.

Dit probleem moesten de drie arbiters eerst oplossen toen het geschil tussen beiden aan de Raad van Arbitrage werd voorgelegd. Zij gingen er daarbij van uit, dat de architect het proces-verbaal van opneming aan zijn opdrachtgever had gestuurd en dat die dus binnen acht dagen aan zijn aannemer had ke berichten dat hij er niet mee akkoord ging. Zelfs als de architect hem van het bestaan van het proces-verbaal onkundig had gelaten kwam dat voor zijn risico daar de man bij hem in dienst was.

Zo redenerend konden de arbiters de A.V. van 1994 toepassen; die bepalen immers dat het werk geacht wordt te zijn goedgekeurd als na acht dagen geen bericht aan de aannemer wordt gezonden, dat het niet is goedgekeurd (art. 8 lid 3). Daarmee kwam dus vast te staan, dat het hele werk in ieder geval niet later dan 23 augustus 1994 was opgeleverd.

Het benzinestation was echter al zeveneneenhalve week daarvoor in gebruik genomen, terwijl de wasinstallatie door een nevenaannemer vijf weken voor de datum van het proces-verbaal was geplaatst. Op grond van de fictie-bepaling in de toepasselijke A.V. zou althans het eerste van die beide onderdelen van het complex dus al eerder zijn opgeleverd dan op 23 augustus. Dat kon van belang zijn omdat de opdrachtgever vond, dat zijn exploitatieverliezen door die te late oplevering door zijn aannemer vergoed dienden te worden. Hij kon zijn stelling, dat het benzinestation op 15 april opgeleverd had moeten worden, echter niet bewijzen.

En dat valt wat tegen van een zakenman, die blijkbaar niet de moeite had genomen om die afspraak daarover schriftelijk vast te leggen. Onze arbiters legden die schadeclaim daarom zonder meer terzijde. En daarmee verviel de noodzaak om ook nog eens te beslissen of de schade, die de benzineverkoper beweerde te hebben geleden, nu vanaf de fictieve opleveringsdatum (1 juni) dan wel vanaf 23 augustus moest worden berekend.

Het is daarom wat vreemd, dat de arbiters het toch nog nodig vonden om wat te zeggen over die eerdere data. “Uit niets blijkt – zo constateren zij letterlijk – dat de aannemer vanaf die data ook daadwerkelijk geen wezenlijke werkzaamheden meer had te verrichten aan de betreffende onderdelen van het werk.” Omdat de aannemer niet in het proces-verbaal van opneming had laten opnemen, dat die beide onderdelen als eerder opgeleverd beschouwd moesten worden, beslisten de arbiters dat het werk op 23 augustus in zijn geheel in een keer als opgeleverd moest worden beschouwd.

Het is maar de vraag of het noodzakelijk is, op straffe van verlies van rechten (hier: het recht op vermindering van de periode waarover exploitatieverlies moet worden vergoed) in het proces-verbaal van opneming een eerdere ingebruikneming vast te leggen. De overeengekomen voorwaarden bepalen dat immers al duidelijk. Ook is niet duidelijk aangegeven waar de bewijslast ligt voor het antwoord op de vraag of er op die beide eerdere data nog wezenlijke werkzaamheden te verrichten waren aan benzinestation en autowasplaats.

De Raad gaat er van uit, dat uit niets blijkt dat dit niet het geval was. Ik vind het meer voor de hand liggend, dat er vanuit gegaan wordt dat er niets wezenlijks meer aan die beide onderdelen van het complex gedaan hoefde te worden vanaf het moment dat zij in gebruik konden worden genomen. Als dat uitgangspunt zou zijn gehanteerd zou een bewijsopdracht, dat aan althans het eerder in gebruik genomen benzinestation op 1 juni 1994 nog “wezenlijke werkzaamheden” verricht moesten worden, aan de opdrachtgever gegeven moeten zijn.

Maar nogmaals: als je beslist, dat het hele complex tijdig is opgeleverd op 23 augustus 1994, is de vraag of met name het eerder in gebruik genomen benzine-verkooppunt eerder is opgeleverd nogal overbodig. Als bovendien die vraag wordt beantwoord aan de hand van een niet met redenen omklede conclusie over de vraag of er nog wezenlijke werkzaamheden aan dat verkooppunt te verrichten waren op het moment van ingebruikneming, zou het mijns inziens verstandiger zijn geweest daarover maar geen uitspraak te doen.

(BR 1995 p. 1020)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels