nieuws

Ontwikkelingslanden leveren bouw toe

bouwbreed

Soms is sluiting van de fabriek en omzien naar iets anders het enige zinvolle advies dat het Centrum voor de Bevordering van Importen uit ontwikkelingslanden (CBI) uit Rotterdam kan geven. Niet altijd is uitvoering van dit advies een reele optie voor de desbetreffende ondernemers. Willen fabrikanten uit ontwikkelingslanden hun waren in bijvoorbeeld Nederland verkopen, dan moeten ze erin slagen hun producten aan te passen aan de voorwaarden die deze markt stelt. Evenals het CBI ke ook importeurs hier een helpende hand reiken, zij het dat de ten pas bij gebleken geschiktheid tijd en geld in het desbetreffende bedrijf investeren.

Het CBI stelt tot en met 26 januari op afspraak bouwproducten uit ontwikkelingslanden ten toon. Aan het besluit opnieuw zo’n expositie te houden droeg mede het succes bij van een soortgelijke promotie die twee jaar geleden plaats vond. De tentoongestelde waren maken volgens projectmanager P. van Gilst van het CBI een gerede kans op succes in Nederland. Ter beoordeling daarvan stuurden ruim 120 geinteresseerde bedrijven documentatie en een monster. Het laatste komt uitgebreid aan bod in een testrapport. Dat gaat niet alleen in op de technische aspecten maar ook op zakelijke en leert de gegadigde of de combinatie van de onderzochte punten acceptabel is voor de Nederlandse markt. Ter aanvulling meldt het rapport ook de reacties van de importeurs die de promotie bezochten. Tot op heden meldden zo’n 45 importeurs zich aan voor een bezoek.

Milieu-aspecten

Het CBI geeft de desbetreffende producenten ook een overzicht van de Nederlandse markt mee. Daar hoort tevens een lijst van milieu-aspecten bij waarmee de fabrikant kan bepalen of het product of delen daarvan overeenkomt met de Nederlandse wet en regel inzake het voorkomen van milieubederf. Niet altijd zal de producent volgens Van Gilst direct uit de voeten ke met deze informatie. Vooruitlopen op maatregelen die in de toekomst eventueel hun beslag zullen krijgen vergt extra investeringen die de kosten verhogen. Importeurs ke evenwel door medefinanciering de fabrikant helpen noodzakelijke aanpassingen door te voeren.

Doe-het-zelvers

Naar Van Gilst verwacht schuiven zo’n 40 tot 50 bedrijven door naar de tweede fase. Hier gaat het om de praktische uitvoering van de op- en aanmerkingen die tijdens de eerste fase aan de orde kwamen. In het verlengde daarvan ligt een verbetering van de interne organisatie bij het desbetreffende bedrijf. Te denken valt hier aan het vaststellen of de producten mede door kinderarbeid tot stand komen. Adviseurs van het CBI brengen daarvoor tussen maart en oktober een bezoek aan de ondernemingen. Wie in deze ronde overblijft mag vervolgens in Rotterdam mee doen aan een cursus exportmarketing. Met de kennis die daar ter sprake komt kan de fabrikant beter voorbereid deelnemen aan een vakbeurs. Uiteindelijk zullen voor die laatste stap pakweg 30 ondernemers overblijven.

De promotie van bouwmaterialen uit ontwikkelingslanden levert mede door de vele subgroepen wat problemen op. Daarbij doet zich een scheiding voor tussen beroepsmatige gebruikers en doe-het-zelvers. De laatsten vormen een groeiende groep die de kansen voor producenten uit ontwikkelingslanden volgens Van Gilst vergroten. Temeer omdat doe-het-zelvers eerder geneigd zijn producten zonder keurmerk aan te schaffen. Toewijzing van een Kiwa- of Kema-keur betekent niet altijd een zegen voor de fabrikant. De keuringen nemen doorgaans een fors bedrag in beslag terwijl de periodieke controle ook financiele eisen stelt. De kans van slagen op de Nederlandse markt wordt in niet onbelangrijke mate bepaald door het feit of een fabrikant erin slaagt onbeschadigd monsters te sturen. De eerste indruk is vaak de enige die de importeur van een product opdoet.

Invoerheffingen ke het aanvankelijke prijsvoordeel grotendeels opheffen. Dit probleem speelt volgens Van Gilst evenwel in een beperkt aantal gevallen. Het CBI richt zich op landen die onder het Algemeen Preferentieel Stelsel vallen en als gevolg daarvan verlaagde tarieven genieten. Veel meer moeten exporteurs rekening houden met de verhouding tussen prijs en volume en tussen prijs en gewichtsverhouding. Een container met een nuttige inhoud van 20 ton levert pas dan voldoende inkomsten op wanneer de vervoerde waren een grotere waarde vertegenwoordigen. Producten uit duurdere natuursteensoorten leveren in dat opzicht meer op dan een lading dakpannen. Het voordeel van de bouwproducten die het CBI voorstelt zit voor een groot deel in de lagere prijzen. Men mag echter niet vergeten dat in het verlengde van de lagere lonen die in het desbetreffende land worden betaald doorgaans ook een lagere arbeidsproductiviteit staat.

Voor een deel doet het CBI zaken met ‘echte’ Derde Wereld-landen. Het middelgrote- en kleine bedrijf vormt de doelgroep. In beginsel komen alle ontwikkelingslanden voor promotie in aanmerking. Die promotie is bedoeld voor de verkoop elders van producten die de plaatselijke industrie maakt en niet voor het opzetten van een plaatselijke industrie. Met dat in gedachten is het volgens Van Gilst te begrijpen waarom de Afrikaanse landen slechts minimaal aan de orde komen omdat dit continent op enkele uitzonderingen na geen industrie kent. De aandacht verschuift de laatste tijd naar de landen van Latijns-Amerika. In deze en andere gevallen blijkt vaak dat de producent niet altijd zijn documentatie in de taal van het importerende land verwoordt. De afwezigheid van ‘begrijpelijke’ taal vermindert de verkoopkansen in het buitenland.

Doelgroep

Het CBI behartigt alleen de belangen van bedrijven die nog geen regelmatige handel met Nederland drijven. In beginsel worden ondernemingen afgewezen die al wel naar andere Europese landen exporteren. Niet altijd is het volgens Van Gilst mogelijk dit beleid consequent uit te voeren. Daarbij zijn de omstandigheden waaronder het zakendoen in de verschillende Europese landen gebeurt niet altijd gelijk. Een bedrijf uit Latijns-Amerika dat aan importeurs in Spanje levert ondervindt daarbij doorgaans weinig problemen. Die zullen echter wel ontstaan bij de belevering van de noordelijker gelegen landen. Deels als gevolg van het taalverschil, deels door het verschil in cultuur. Dat te laat zich over en weer uitermate moeilijk veranderen. In sommige culturen is het ongebruikelijk ‘nee’ te zeggen tegen een opdracht en kan het voorkomen dat een fabrikant op een beurs een dubbele jaarproductie verkoopt zonder te weten hoe hij deze orders kan uitvoeren. Ook komt het voor dat producenten die gewend zijn aan afdingen met te hoge prijzen beginnen en daarmee op voorhand al elke kans op succes verliezen.

Nadere inlichtingen verstrekt het CBI via telefoon 010-2013434 en fax 010-4114081.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels