nieuws

Gemeenten niet scheutig met ‘bestuurscompensatie’

bouwbreed Premium

De schadevergoeding die aan belanghebbenden wordt betaald om het nadeel dat door bestemmingsplannen wordt geleden te compenseren, wordt aangeduid met de term ‘nadeelcompensatie’ of ‘bestuurscompensatie’. Dat nadeel is meestal helemaal niet het gevolg van een onrechtmatig handelen door de schadetoebrenger zoals in het civielrecht, maar van een rechtmatige overheidsdaad.

De gemeenten zijn over het algemeen niet erg scheutig met het toekennen van zo’n compensatie. In juni schreef ik al van het geluidsscherm in de gemeente Maarheeze, dat alleen kon worden opgericht als B en W gebruik maakten van hun bevoegdheid ex art. 18 a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om voor dat scherm vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan.

Hun weigering om de schadelijke gevolgen daarvan voor een Maarheezenaar te vergoeden moest door de administratieve rechter gecorrigeerd worden. Die kende een schadevergoeding van f. 7500 toe voor de waardevermindering van de woning, waarvan het woonklimaat door de plaatsing van het scherm was verslechterd.

Ik wees er toen op dat gemeenten regelmatig fouten maken in dit soort gevallen; ofwel zij lezen de wet en de jurisprudentie daarop niet goed of zij vinden, anders dan de wetgever, dat hun gemeentenaren geen recht hebben op bestuurscompensatie, omdat zij dat nadeel maar moeten accepteren als hun maatschappelijk risico.

Hoe het ook zij, ook in Maasbracht ging de gemeente in de fout bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade. De verzoeker vond, dat hij door de aanleg van een toegangsweg naar een nieuw aan te leggen parkeerplaats ernstige hinder ondervond. Het vrachtverkeer naar die parkeerplaats reed immers langs zijn achtertuin en daardoor was zijn woning 20 a 25 % minder waard geworden.

Net zo als in Maarheeze volgde de gemeenteraad zijn dagelijks bestuur braaf toen die voorstelde om het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. De motivering daarvoor was, dat het in de lijn der verwachtingen lag dat er in die omgeving winkels zouden komen, die een parkeergelegenheid nodig maakten en het nodige vrachtverkeer met zich zouden meebrengen.

Als er daardoor al overlast zou ontstaan, zo redeneerden B en W, dan zou die niet leiden tot meer aantasting van het woongenot en de privacy dan al het geval was onder het voorgaande planologische regime.

Een onbegrijpelijke redenering, want het planologische regime werd niet gewijzigd; alleen de invulling ervan werd anders door de vrijstelling die B en W hadden verleend via het befaamde artikel 19 Wet R.O. In de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die ook nu weer in het geweer moest komen om de gemeentelijke beslissing te corrigeren, wordt helaas over het bezwaar dat in het beroep van de gedupeerde inwoner werd aangevoerd, niets gezegd.

De Raad van State vernietigt de beslissing van Maasbracht op twee andere gronden. In de eerste plaats constateert zij dat Maasbracht geen procedureverordening had vastgesteld die moet worden gevolgd bij verzoeken om planschadevergoedingen. Dat hoeven gemeenten weliswaar niet van de wetgever, maar wel moeten zij dergelijke verzoeken behandelen met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur.

In dat opzicht ontbrak er nogal wat aan de manier waarop dit verzoek was bekeken. Het duurde niet alleen 13 maanden voordat Maasbracht er op besliste, de gemeente had het ook niet nodig gevonden een onafhankelijke schadebeoordelingscommissie in te schakelen. Wel had zij 11 maanden na de indiening van het verzoek de aanvrager geinformeerd over de voortgang (?) ervan en hem uitgenodigd om te verschijnen in een hoorzitting van de commissie-Ruimtelijke Ordening van de gemeenteraad, maar daaraan had de man kennelijk niet zoveel behoefte.

De rechter begon Maasbracht duidelijk te maken, dat uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van een verzoek om schadevergoeding een advisering door een neutrale commissie noodzakelijk wordt geacht. Dat is ook het belang van de verzoeker.

Dat heb ik al eerder gezegd, aldus de belerende rechter. Toch is dat hier weer niet gebeurd. Als je mocht denken, dat je door de commissie uit de gemeenteraad ernaar te laten kijken, aan die zorgvuldigheidseis hebt voldaan, dan heb je het mis. Zo’n commissie is misschien dan wel onafhankelijk in de betekenis van niet afhankelijk van de inzichten van het college, waarvan het best mag afwijken, maar toch in ieder geval niet neutraal. En of het deskundig is, zoals een in te schakelen schadebeoordelingscommissie, kan ook betwijfeld worden.

Omdat alleen in zeer duidelijk liggende gevallen het inwinnen van een onafhankelijk advies volgens de rechter achterwege gelaten kan worden, doen gemeenten er verstandig aan zo’n advies steeds in te winnen. Alleen als geen zinnig mens kan vinden dat een verzoek om schadevergoeding moet worden ingewilligd moeten onze gemeenten de kosten van zo’n advies vermijden.

Ik ben bang, dat vooral in de kleinere gemeenten voldoende deskundigheid in deze materie ontbreekt, zowel in de ambtelijke gemeentehuiskamers als op de politieke raadszetels. Ook het bezwaar dat de gemeente bij de rechter naar voren bracht, getuigde van het ontbreken van inzicht in deze materie.

“Al meermalen heb ik uitgesproken, dat het bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding niet van belang is of de verzoeker tegen de schade veroorzakende planologische maatregel bezwaar heeft gemaakt”, zei de rechter nog maar eens en het verwijt daarin is duidelijk.

Dat de gedupeerde inwoner tegen de vrijstelling niet had geprotesteerd werd hem immers door Maarheeze, dat zelf nogal wat fouten had gemaakt, verweten.

(BR 1996 p. 592)etae in Reinickendorf worden 60 woningen voorbereid met een investeringsbedrag van DM 15 miljoen ten behoeve van ambtenaren van het ministerie van Defensie. De ontwerpen worden verzorgd door het architectenbureau Henze en Kahjen.

Reageer op dit artikel