nieuws

BNA-Kubus naar Adviesbureau voor Bouwtechniek: ABT onderscheiden als ‘onderzoekend constructeur’

bouwbreed Premium

Vandaag krijgt ABT Adviesbureau voor Bouwtechniek de BNA-kubus uitgereikt. De architectenbond drukt hiermee haar waardering uit voor deze creatieve constructeurs. Constructeurs die ‘hardnekkig zoeken’ naar de beste mogelijkheid om een ontwerp ‘waar’ te maken.

ABT krijgt de kubus uitgereikt in een stukje eigen werk: de nieuwbouw van de Faculteit voor Economie en Management van de Hogeschool Utrecht. Een bijzonder onderwijsgebouw naar ontwerp van het Delftse bureau Mecanoo met ABT als constructief adviseur. Dit adviesbureau heeft in de Utrechtse Uithof nog meer opvallend werk: het educatorium naar ontwerp van O.M.A./Koolhaas en het Minnaertgebouw naar ontwerp van Neutelings. Deze lijst met exceptioneel werk is moeiteloos eindeloos lang te maken, van de nieuwe overkapping van Feyenoord tot het nog te bouwen Gelderland Stadion met schuifdak, van Burgers Bush tot Thialf, van academische ziekenhuizen tot het zwierige Willy Brandtviaduct in Ede, van tenten voor het Bevrijdingsmuseum en Doemere tot het als een moterkap golvende dak van het Chassetheater van Hertzberger in Breda. Van gewone rijtjeshuizen tot woontorens als de Hillekop van Mecanoo in Rotterdam.

Wie de Jaarboeken van het Architectuurinstituut erop naslaat ziet dat ABT gewerkt heeft met zowat alle bekende Nederlandse architecten. En dat zijn dan nog slechts de recentste werken. Ook uit een verder verleden zijn moeiteloos staaltjes van vakmanschap op te sommen. Bijvoorbeeld de schaaldaken van het station in Tilburg.

Niet alleen rekenen

Het bureau is in 1953 opgericht door ir. J. Oosterhoff, later professor constructief ontwerpen in Delft. Nu werken er 130 mensen in vestigingen in Velp en Delft. Onder leiding van tien raadgevend ingenieurs functioneren vier afdelingen voor draagconstructies en vijf specialistische afdelingen voor bouwkostenservice, bouwtechniek, geotechniek, bouwinspecties en technische installaties/telematica.

Een van de zes ingenieurs die samen met een administratief bestuurder de Raad van Bestuur vormen is prof. ir. Arie Krijgsman. Als constructief adviseur al langere tijd een van de boegbeelden van het bureau; als professor aan de TU Delft de verpersoonlijking van de constante relatie die er altijd tussen ABT en onderwijswereld is geweest. Hij licht toe wat al die tijd de filosofie van het bureau is geweest.

Krijgsman: “Het werk van de constructeur is een van de eerste architectentaken geweest die zijn verzelfstandigd. Vroeger lag het accent er sterk op dat de architect iets ontwierp en het werk van de constructeur alleen het uitrekenen ervan was. Oosterhoff was sterk beinvloed door de ideeen van architect prof. Brouwer, die het ontwerpende denken bij de constructeur wilde stimuleren. Het grote buitenlandse voorbeeld was Nervi. Van het begin af aan is de doelstelling van het bureau geweest om niet alleen te rekenen, maar mee te denken bij het ontwerp. Wij zijn nu zeer verrast met de BNA-kubus en zien dat als een erkenning van onze doelstelling.”

Samenspel noodzakelijk

Krijgsman spreekt uit zijn ervaring in het onderwijs als hij zegt dat de opleiding tot civiel ingenieur nog steeds erg ‘rekengericht’ is. “Dat kan ook moeilijk door de korte studieduur. Maar het betekent dat het begrip dat je constructief moet ontwerpen niet ontwikkeld wordt. Bouwkundestudenten zijn weer sterk ontwerpgericht en is er te weinig aandacht voor de rol van de constructie. ABT heeft van oudsher in dat tussengebied gewerkt.”

Lichtend voorbeeld is nu Santiago Calatrava als type die architect en constructeur in een persoon verenigd. “In Nederland is dat ondenkbaar. Dat is historisch uit elkaar gegroeid. Maar wij geloven wel dat het samenspel van meerdere disciplines noodzakelijk is om iets goeds te maken

Verantwoordelijkheid

Oosterhoff besteedde in zijn onderwijs veel aandacht aan de geschiedenis van het vak. Ook Krijgsman steekt zijn bewondering voor de ingenieurs van de vorige eeuw niet onder stoelen of banken. “Met veel minder kennis maakten zij enorme, en vaak nog lichte constructies, zoals de radiozendmast van Suchov bij Moskou. Het oorspronkelijke ontwerp was hoger dan de Eiffeltoren maar kon volstaan met de helft van het staal; door staalgebrek tijdens de bouw is de toren overigens niet zo hoog geworden. Op intuitie ging dit soort constructeurs principieel te werk door alles terug te brengen tot basale vormen: bogen, liggers vakwerken. Die waren gemakkelijk toegankelijk voor berekeningen. Maar zo’n overkapping als die van het Feyenoordstadion hadden ze niet ke maken. Het stadion is geen regelmatige ovaal maar heeft scherper gekromde hoeken en flauwer gekromde zijkanten. De overkapping kon alleen tot stand komen dankzij de computer en het rekenprogramma Diana.”

Over de rol van de computer heeft Krijgsman wel enige bedenkingen. “De jongere generatie kan virtuoos met de computer omgaan. Maar ik vind dat je toch moet proberen een constructie terug te brengen tot eenvoudige principes. Dat blijft het streven. Om te weten wat je bouwt. Anders degradeer je jezelf. De computer blijft een hulpmiddel; in programma’s ke fouten zitten, een bekende fout is een verrekening met een factor tien. Je moet weten wat je doet om zelf de verantwoordelijkheid te ke nemen. De mens moet centraal blijven staan.”

Prijsconcurrentie

Voor een bureau dat creatief onderzoekend, experimenterend, in wisselwerking met de onderwijswereld mee wil denken met de architect is de markt niet gemakkelijker geworden. Krijgsman: “Vroeger had je vaste relaties met architecten. Die sterke koppeling, dat op die manier werk binnenkwam, is er niet meer. Nu is niets meer vanzelfsprekend. Werk komt binnen via aanbestedingen of rechtstreeks van opdrachtgevers. En een probleem daarbij is het prijsschieten. Dat komt voor bij zowel poontwikkelaars als overheid. Dan word je niet geselecteerd op ideeen over het werk, maar op een vantevoren af te geven, zo laag mogelijke prijs. Zo’n opdrachtgever kan dan natuurlijk geen onderzoek verlangen voor die prijs. De keerzijde daarvan is dat hij daardoor soms toch te duur uit is, omdat met enig meedenken met de ontwerper een eenvoudiger constructie mogelijk was geweest.”

“Bij de toenemende prijsconcurrentie wordt het steeds moeilijker de kwaliteit van het werk staande te houden”, concludeert Krijgsman.

Onderzoek en ontwerp

Onderzoek geschiedt bij ABT naar aanleiding van onderhanden poen. Per project is een van de tien raadgevend ingenieurs verantwoordelijk, met een projectleider onder zich als centrale figuur bij de uitvoering. Een keer per maand komen alle raadgevend ingenieurs samen om elkaars werk te bespreken, ideeen uit te wisselen en los van alle dagelijkse rompslomp over het vak te praten. Krijgsman: “Zo wisselen we onze kennis uit en voorkomen we dat we uiteenvallen in tien kleine bureautjes. De opdrachtgevers hebben het recht om over alle kennis van het bureau te beschikken.”

In de loop van de jaren is het constructieve adviesbureau uitgegroeid tot een gecertificeerde firma die alle nodige specialismen kan bieden. Maar er maken geen architecten deel uit van het bureau. Krijgsman: “Daar trekken wij de grens. De architect is nog steeds een belangrijke schakel bij het verkrijgen van werk. Als opdrachtgevers bijzondere poen hebben, zouden wij top-architecten in dienst moeten hebben. En die komen niet bij een adviesbureau in dienst.”

Deze bewust gekozen afstand tot architecten heeft natuurlijk als voordeel dat ABT betrokken kan zijn bij het werk van tal van bijzondere architecten. Het houdt het bureau lenig, zodat het, zoals de jury voor de BNA-kubus stelt, ‘in de huid kan kruipen van uiteenlopende concepten’ om vandaaruit een diversiteit aan technische en constructieve mogelijkheden te onderzoeken. Varierend van adviezen bij de eerste schetsen voor de nieuwe Erasmusbrug in Rotterdam tot een koepel bekleed met zakjes water voor het Oerol festival op Terschelling.

Reageer op dit artikel