nieuws

Vroegindeweij gaat recht en oprecht op zijn doel af

bouwbreed Premium

Een architect en zijn tekentafel: een twee-eenheid. Dat geldt zeker voor Dammis Vroegindeweij in Middelharnis. Vooral vroeger. Hij werkte er boven en sliep er pal onder. Hij begon namelijk nog in zijn kamertje in het ouderlijk huis. Zijn tekenbord was uitklapbaar en net boven zijn bed bevestigd. Uit een oogpunt van ruimtelijke ordening een geslaagde oplossing. Maar het belette hem wel zich ’s nachts in zijn bed om te keren… Toch is hij een veelzijdig ontwerper geworden.

Een van tekenwerk welhaast bezeten man. Zeker in zijn begintijd. Daarvan maakte hij een bedrijf, dat door zijn bijzondere persoonlijke kwaliteiten daar op het landelijke Goeree-Overflakkee uitgroeide tot een boven-gemiddeld architectenbureau. Het heeft nu 35 medewerkers. Vroegindeweij (56) vertelt graag en vlot over zijn vak.

Hij volgde eerst de ambachtsschool (tegenwoordig technische school), werd timmerman en ging ’s avonds een paar keer in de week naar een tekenopleiding in Sliedrecht. Toen die af was trad hij in dienst van een architect in zijn woonplaats.

“Dat was een nogal eigenaardige man”, zegt hij met die typische wat scherpe doch gemoedelijk klinkende tongval van de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden. “Hij liet me vaak zo maar alleen. Zonder iets te zeggen was hij ineens vertrokken en bleef hij da-gen weg. Een beetje typische man, een ‘artist’. Architekten hebben een kunstzinnige inslag, maar moeten toch ook zakelijk zijn. Dat laatste had hij minder. Nou ja, dan werkte ik ’s avonds en ’s zaterdags maar door. Op een gegeven moment begon ik ook maar op eigen houtje aan een aanbesteding mee te doen. Hij was er weer ‘ns niet. Ik maakte zo jong als ik was (24 jaar) een ontwerp met bijbehorende begroting voor een verbouwing en dat werd tot mijn verbazing gelijk aangenomen. Met de eindsom ging men akkoord, hoewel in de begrotingsonderdelen nog het een en ander geschoven moest worden.

Zo leerde ik meer en kreeg ik in de gaten hoe je aan opdrachten moest komen. En als het zo gemakkelijk ging, dacht ik, waarom zou ik dat dan niet voor mezelf gaan doen?”

Hij begon daarna zelfstandig, in het huis van zijn ouders, dat hij had overgenomen. Op een scooter, later in een auto, toerde hij rond om vooral eerst tekenopdrachten te krijgen. Door kwalitatief goed werk te leveren en door de mond-op-mond reclame daarvan zouden de volledige ontwerpen wel volgen. Dat was minder een slimme policy alswel een oprechte zakeninstelling van de jonge Dammis: je moet je klanten zo goed mogelijk bedienen. En die ontwerpen kwamen. Uitbreidingen, nieuwbouw van woningen, winkels, utiliteitsbouw enz., van alles werd hem toevertrouwd. Hij verwierf die opdrachten in zijn omgeving, in Zeeland, Brabant en gaandeweg steeds verderop, tot in Den Helder toe. Vroegindeweij, type van een vechter en doorbijter, die graag zoveel mogelijk alleen doet, moest er mensen bijnemen. Er kwamen tekenaars en later ander personeel en hij ontwikkelde zichzelf meer en meer van tekenaar en architect tot manager. Een self-made man, die door stug pionieren en doordouwen en met de juiste dosis commercialiteit een stevig en gerenommeerd architectenbureau en tekenbureau heeft opgebouwd, dat met een overgenomen ingenieursbureau (voorheen Coenen (DenHaag), thans ‘Middelharnis’) in een holding is ondergebracht. De totale jaaromzet loopt in de miljoenen. Binnenkort verwerft D.Vroegindeweij BV, Buro voor Architektuur en Ruimtelijke Ordening de ISO-9000 certificatie. Wat management betreft zegt Vroegindeweij duidelijke dingen.

“Ik ken verschillende collega’s die goed zijn op hun vakgebied, maar op het punt van zakelijkheid en bedrijfsuitoefening slecht scoren. Teveel architecten denken dat een opdracht met een goed ontwerp is afgehandeld. Ze hebben echter te weinig oog voor de financieel-zakelijke aspecten en de continuiteit van de relatie. Dat heb ik ook moeten leren. Ik schreef vroeger ook rekeningen uit zonder teveel aandacht voor de boekhouding. Maar dan kom je echt in de problemen. In een wat groter wordend bedrijf is regelmatige aandacht voor de financiele aspecten van het bedrijf van fundamentele betekenis. Van groot belang is ook het onderhouden van de juiste relatiecontacten. Ook daar mankeert het nog wel eens aan. Ik heb voor veel taken medewerkers aangetrokken, maar de acquisitie en representatie blijf ik zelf doen. Vind ik ook leuk om te doen.”

Dat is misschien ook een beetje het geheim van zijn succes. Dammis Vroegindeweij is een man met goed-menselijke, innemende eigenschappen; vriendelijk, correct, communicatief en belangstellend. Hij gaat graag met mensen om en kent als nuchtere Zuidhollandse eilander geen pose. Hij gaat recht en oprecht op zijn doel af. Een man met wie je graag praat.

“In menselijke contacten moet je altijd trachten het optimale te bereiken”, zegt hij. “Zeker met je opdrachtgevers, zodat als het werk geklaard is en je van elkaar weggaat, je een sfeer achterlaat van “dat is een leuke tijd geweest”. Daaraan draag je natuurlijk vooral bij door goede kwaliteit. Dat is van doorslaggevend belang. Je werk moet tot in de puntjes verzorgd zijn. Weet je wat je vroeger vaak zag gebeuren? Als een bouwtekening te moeilijk werd, liet men bepaalde onderdelen gewoon weg. De gemakkelijke stonden er wel op, maar de moeilijke moest de aannemer dan zelf maar uitzoeken. Dat verknoeit de relatie natuurlijk.

Ik begon juist altijd met het moeilijke werk. De gemakkelijke kanten volgden dan vanzelf wel. Het was heel wat teken-en rekenwerk vroeger, heel anders natuurlijk dan nu met de computer, maar het loonde. Ik maakte ook geen ‘architektenbegrotingen’ met stelposten. Ik zorgde ervoor dat m’n offertes tot op de cent klopten. Dan stond je ook sterk in het overleg en kreeg je respect en vertrouwen. En dus nieuwe opdrachtgevers.”

Een bedrijfsfilosofie die resulteerde in een groeiende lijst geleverde ontwerpen voor zowel particulieren als voor landelijk opererende organisaties en bedrijven, voor woningbouwverenigingen, beleggingsmaatschappijen, overheid, een benzinemaatschappij, waarvoor hij tal van stations ontwierp, etc. Die lijst vermeldt verder turn-key poen, recreatie-poen, kerken en renovaties. Vanaf 1980 opereert het bureau vanuit een architectonisch imponerende studio aan de Oosthavendijk in Middelharnis, die voorlopig als de kroon op het pionierswerk van Dammis Vroegindeweij mag worden gezien. Hierin heeft hij zijn eigen architectonische opvattingen volop ke uitleven: veel licht, veel ‘warme’ materialen, vooral hout, en verder kleinschaligheid, die een bewoner een gevoel van geborgenheid geeft, van thuis-te-zijn zonder het contact met zijn omgeving te verliezen. Bouwtechnisch heeft hij dit voor zijn eigen medewerkers bereikt door zijn voorkeur voor 45 en 90 graden effecten bij de uiteinden van vloeren en muren en door teken-units waarin ieder zijn werk ongestoord kan verrichten, maar waarin men door de open opstelling en afwezigheid van muren of hoge tussenwanden toch voldoende contact met zijn collega’s kan hebben. De parterre is zodoende ingericht als een grote overzichtelijke studio met afzonderlijke eenheden, begrensd door fraaie plantenbakken. In het midden van die studio leidt een houten trap naar de kantoorafdelingen op de eerste verdieping en de vergaderzaal op de tweede. Het merkwaardige aan dit gebouw is dat de achthoekige nogal dominerende dakvlakken aan de buitenkant er een vrij afgesloten karakter aan verlenen, terwijl men zich binnen toch volop met de buitenwereld verbonden weet. Uiteraard door de vele vensters voor de gewenste lichtinval. Stedebouwkundig gezien is Vroegindeweij voorstander van geintegreerde bouw. Geen grote woonblokken, maar gevarieerde bouw met levendige gevelbeelden. Uitgangspunt voor bewoning is zoveel mogelijk demografische verscheidenheid: gezinnen, scholen, winkels, bejaardenhuisvesting e.d. Uitnodigend tot sociale contacten. Geen eentonige nieuwbouwwijken die de neiging hebben snel te verpauperen en tot gettovorming leiden. Uit een oogpunt van ruimtewinning zou het r.o.-beleid volgens hem veel meer op kustlocaties moeten worden gericht. Daar kan hij hartstochtelijk voor pleiten. Ook wat betreft het werk van de welstandscommissies heeft hij een duidelijke mening. “Van de leden daarvan verwacht ik een collegiale opstelling. Ze zijn soms te kritisch. Daar horen volgens mij alleen mensen in te zitten die in de praktijk zijn gevormd. Ik zag laatst plannen van een kennis waarin van alles was geschrapt. Ergerlijk. Ik vind dat naast beoordeling van collegiaal overleg sprake moet ke zijn.”

Reageer op dit artikel