nieuws

Aanvaarding door verven?

bouwbreed Premium

Als straks de aannemingsovereenkomst in ons Burgerlijk Wetboek opnieuw is geregeld vinden we daarin een begrip dat we voorheen niet tegenkwamen. Het werk wordt “na de aanvaarding” door de opdrachtgever als opgeleverd beschouwd. Daarbij is de wetgever dan afgeweken van het begrip dat in de meeste algemene voorwaarden wordt gebruikt: de “goedkeuring”.

Tussen die twee begrippen zit een subtiel verschil: het een is het gevolg van het ander. Door het werk goed te keuren kun je het aanvaarden. De veronderstelling in algemene voorwaarden, dat de opdrachtgever door het werk in gebruik te nemen dit stilzwijgend heeft goedgekeurd is wat minder zuiver dan wanneer je spreekt over een stilzwijgende aanvaarding.

Op dat nieuwe aanvaardingsbegrip liep de (raadsman van de) aannemer al vooruit toen hij in een geding voor de Raad van Arbitrage zich verweerde tegen het verwijt, dat hij grenen kozijnen in de bouw had aangebracht in plaats van meranti. De AVA 1992, die op dit werk van toepassing waren verklaard, bepalen dat het werk geacht wordt te zijn goedgekeurd indien en voorzover het in gebruik genomen wordt.

Maar kun je nu van het in gebruik nemen van kozijnen spreken als je een paar ramen in je achtergevel hebt laten vervangen? Ja, een huis dat je laat bouwen kun je in gebruik nemen ook voordat er een formele opneming heeft plaats gehad. Dan accepteer je door die ingebruikneming ook de kozijnen zoals ze zijn aangebracht.

Hier ging het kennelijk alleen om een verbouwinkje. Daarvoor was afgesproken, dat voor het kozijn- en raamhout meranti zou worden gebruikt. De aannemer had dat in zijn opdrachtbevestiging weliswaar veranderd in grenen, maar omdat met die wijziging niet uitdrukkelijk was ingestemd door zijn opdrachtgever was zijn verplichting om meranti te gebruiken in stand gebleven.

Nu hij dat niet had gedaan maar wel een minderwerknota had gestuurd van een dikke elfhonderd gulden, werd zijn vordering tot betaling van de aanneemsom beantwoord met een eis tot vervanging van de grenen kozijnen en ramen door meranti. Formeel had de opdrachtgever daar wel recht op, maar zoals zo vaak in dit soort gevallen woog het belang van de eiser bij vervanging niet op tegen de kosten, die daarmee gepaard zouden gaan.

De arbiter van de Raad vond namelijk, dat er bij deugdelijk onderhoud geen verschil in duurzaamheid hoeft te bestaan tussen de beide houtsoorten. Dat onderhoud van grenen kost wel wat meer dan van meranti, maar dat verschil is niet zo groot dat het belang van de opdrachtgever bij volledige vervanging van de kozijnen en ramen in redelijkheid opwoog tegen de kosten, die de aannemer daarvoor zou moeten maken. Dit had eisers raadsman zich natuurlijk ook wel gerealiseerd want de vervangende eis was er een tot vergoeding van de schade. Die berekende hij op ongeveer f. 8500. Daarin zat niet alleen een bedrag voor de mindere duurzaamheid, maar ook een vergoeding voor meer onderhoudskosten. Omdat de arbiter al had gezegd, dat er bij deugdelijk onderhoud geen verschil in duurzaamheid tussen grenen en meranti hoeft te bestaan wees hij dat eerste bedrag natuurlijk niet toe. Een vergoeding voor de hogere onderhoudskosten zat er dus wel in, maar het daarvoor geeiste bedrag van f. 2000 vond de arbiter te hoog.

Samen met een aftrek van de door de aannemer gemaakte winst ad f. 692,73 kende de arbiter daarvoor een bedrag van f. 1800 toe. Door die toewijzing van de vervangende schadevergoedingseis ging de arbiter dus ook niet in op het belangrijkste verweer van de aannemer. Die vond, dat zijn opdrachtgever de uitvoering van de kozijnen en ramen in grenen had geaccepteerd (aanvaard) door ze te gaan afschilderen. Volgens de nieuwe B.W.-formulering heeft de aannemer immers aan zijn opleveringsverplichting voldaan als zijn opdrachtgever het werk heeft aanvaard, ook als dat stilzwijgend is gebeurd. En als je kozijnen gaat afschilderen aanvaard je daarmee, dat die kozijnen in grenen zijn uitgevoerd, zo was de redenering.

Maar die ging niet op, want de kozijnen en ramen waren in een witte grondverf in het werk gebracht. Van een leek op bouwkundig terrein, zoals de opdrachtgever, mocht niet worden verwacht dat hij wit gegrond grenen zou ke onderscheiden van wit gegrond meranti. Bovendien had de opdrachtgever het schilderwerk maar gedeeltelijk afgemaakt, want zodra hij er achter kwam dat hij niet met meranti te maken had, was hij er direct mee opgehouden.

Overigens moet het mij bij deze zaak toch van het hart, dat het financiele belang hier relatief zo gering was, dat hij een arbitrale procedure eigenlijk niet rechtvaardigde. Verstandige mensen zouden, voordat zij besluiten een toch altijd vrij kostbare procedure te gaan beginnen, toch eens om de tafel moeten gaan zitten om te zien of zij zo’n geschil niet zelf, en dan voor veel minder geld, ke oplossen. Ook hun rechtskundige raadslieden zouden hen daartoe moeten adviseren, zeker als hen duidelijk is hoe de uitkomst van een procedure over zo’n relatief geringe vordering zal luiden.

(BR 1996 p. 245)

Reageer op dit artikel