nieuws

‘Goede architectuur wint het van de tuinkabouter’

bouwbreed Premium

Ruim twee jaar geleden won ze de Maaskantprijs. Sindsdien is ze een stuk zelfbewuster geworden en heeft ze een reeks nieuwe opmerkelijke projecten aan haar oeuvre toegevoegd. Ze gaat haar eigen weg en wil niet in het hokje van een of andere stijl passen, want “een gebouw moet gewoon zichzelf zijn, zonder dat er een architectuurverhaal bijhoort”.

De samenwerking met de opdrachtgever en de relatie van een gebouw met zijn omgeving zijn in haar werk essentieel, waarbij ze zich als architect een belangrijke eis stelt: een ontwerp moet van zodanige kwaliteit zijn dat de architectuur er niet onder te lijden heeft als bewoners een tuinkabouter plaatsen of de was buiten hangen. Een gesprek met ir. Liesbeth van der Pol, bij velen bekend als architect die kan woekeren met de uiterst geringe budgetten in de sociale woningbouw. Zelf begint ze echter langzamerhand te snakken naar opdrachten waarin ze kan bewijzen dat ze met meer geld ook meer kan.

“Mijn voeten staan lang niet altijd recht vooruit. Dikwijls staan ze in vertwijfeling wat naar elkaar toegebogen”, schreef Liesbeth van der Pol in het boek over haar werk dat in 1993 werd samengesteld omdat haar de Maaskantprijs voor jonge architecten was toegekend. Daar voegt ze nu aan toe: “Ik ben begonnen in een voor de architectuur moeilijke periode. Niemand weet meer wat mooi of lelijk is, niemand weet meer echt hoe het moet. Door het winnen van zo’n prijs – maar vooral ook doordat je ontwerpen worden gebouwd – krijg je echter wel meer zelfvertrouwen. Ik sta nu een stuk steviger in mijn schoenen dan een paar jaar geleden.”

Dat betekent niet dat het gedaan is met – zoals de jury van de Maaskantprijs het formuleerde – haar veelbelovende zoektocht, bevrijd van hedendaagse dogma’s. “Er zijn geen voorbeelden die ik wil volgen of een stijl die ik mezelf toeeigen. Het is juist leuk om bij iedere nieuwe opgave weer een beetje opnieuw het wiel uit te vinden. Ik neem aan dat naarmate je ouder wordt je wel degelijk een soort ‘handschrift’ krijgt, maar als ik mijn ontwerpen nu naast elkaar leg, zie ik nog weinig overeenkomsten. Behalve natuurlijk dat er enorm veel energie in is gestoken en elk po op zijn specifieke locatie is geent.”

Civiele techniek

Liesbeth van der Pol, geboren in 1959, was aanvankelijk gefascineerd door de grote civiele werken. Door haar werk op verschillende architectenbureaus werd ze echter gegrepen door de architectuur. En die heeft haar sindsdien niet meer losgelaten. “Ik vind het fascinerend hoe de stad eruit ziet, hoe de ruimte je stemming bepaalt en hoe je dat kunt beinvloeden.” Dat intrigeert haar zo dat de architectuur nu het grootste deel van haar leven beheerst. “Als architect hou je niet veel tijd over voor iets anders. Je kunt dit vak alleen maar goed doen als je er altijd mee bezig bent. Ook tijdens je vakantie. Misschien hou ik daarom ook wel van zeezeilen, want dat is de enige manier om ergens te komen waar niets is gebouwd.”

Ze studeerde in 1988 af aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit in Delft, werkte vervolgens bij de Dienst Stadsontwikkeling van Maastricht en vestigde zich in 1989 als zelfstandig architect in combinatie met de eveneens zelfstandige architecten Herman Zeinstra en Onno van den Berg. Inmiddels duurt die samenwerking voort en heeft voor Zeinstra en Van der Pol verder vorm gekregen in een gezamenlijke BV.

In haar betrekkelijk korte loopbaan ontving Van der Pol naast de Maaskantprijs al diverse onderscheidingen: een eervolle vermelding van Archiprix, de Charlotte Kohlerprijs voor architectuur, de aanmoedigingsprijs Bouwkunst van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst en de VKG-Award van de kunststof-kozijnenindustrie voor de toepassing van kunststof kozijnen.

Van tijd tot tijd zit ze ook graag aan de andere kant van de tafel. “Jureren is ook een verkapte manier om een heleboel plannen te zien en te bediscussieren. Want van die discussies leer je heel veel. Ik zal dan ook niet gauw nee zeggen als ze me voor een jury vragen.”

Relatie

Een van de belangrijkste factoren die voor Van der Pol het succes van een project bepalen, is de relatie tussen architect en opdrachtgever. “Als opdrachtgever moet je bewust voor een architect kiezen. Ik waarschuw opdrachtgevers van tevoren ook altijd dat ik niet een bepaalde stijl heb. Hij moet weten waar hij aan begint. Voor mij is het ook een open eind. Wil iemand dat avontuur aan? Het kan wel betekenen dat we wegen inslaan die we nog nooit hebben bewandeld. Of woningen ontwikkelen die makelaars nog niet kennen en waarvan je niet weet hoe de markt erop zal reageren. Dat moet je aandurven.

Ik hoop dat ze mij kiezen om zo’n avontuur aan te gaan. Want je moet niet bij mij komen voor ‘confectie’, ik wil ‘maatkostuums’ maken. Ik ben niet geinteresseerd in doorsnee-opdrachten die je ’s nachts met je ellebogen kunt tekenen. Zoiets moet een opdrachtgever van tevoren weten. Hij kan dan altijd nog ‘nee’ zeggen.”

Absoluut minimum

Als een opdrachtgever ‘ja’ zegt, doemt voor Van der Pol meteen het volgende probleem op: het budget. “Vaak moet ik al voordat er een pen op papier is gezet ten strijde gaan voor een beetje meer geld. In het buitenland wordt veel meer aandacht en geld aan woningbouw besteed. Wij presteren het in Nederland nog steeds om er trots op te zijn voor een absoluut minimum een woning te ke neerzetten. Maar dat kan niet meer. Ik word geconfronteerd met budgetten die zo laag zijn dat ze niet meer toereikend zijn om aan het Bouwbesluit te voldoen. Laat staan dat je er nog iets van architectuur aan zou ke toevoegen.

Een woning voor f. 100.000? Dat is absoluut onzin, dat kan gewoon niet. Men beseft het nog niet, maar om te ke voldoen aan het Bouwbesluit ben je al f. 20.000 meer kwijt dan vroeger. En dan ben ik als architect nog niet eens aan het woord geweest!”

“Wij geven in verhouding tot het buitenland een fractie uit aan woongenot. Door allerlei subsidies hebben mensen geen flauw benul meer wat een woning werkelijk kost. Natuurlijk is het moeilijk om te accepteren dat je geld moet uitgeven voor een woning als je gewend bent dat alles maar gesubsidieerd wordt. Die bewustwording moet echter langzamerhand wel op gang gebracht worden.”

Toch zijn het tot nu toe voornamelijk de poen in de sociale-woningbouw waardoor Van der Pol de aandacht trekt. “Dat is niet iets wat ik per se wil, maar op een gegeven moment sta je ineens bekend als iemand die met weinig geld nog veel voor elkaar weet te krijgen. Natuurlijk is dat een uitdaging, maar ik zou ook wel eens willen bewijzen dat ik met meer geld ook meer kan.”

Belazerd

Het is volgens Van der Pol aan de gebouwde omgeving in Nederland ook direct af te lezen dat er weinig geld wordt uitgetrokken voor het ontwerpen van gebouwen. “Laten we eerlijk zijn, Nederland ziet er natuurlijk belazerd uit. Het gemiddelde is niet van een hoog niveau. Het ontbreekt ons volkomen aan cultuur. Zelden wordt er voldoende geld, tijd en energie besteed om iets moois te maken. En meestal is het een kwestie van geld. Er wordt hier beknibbeld bij het leven. Op elk huis. Je hoeft maar een nieuwbouwwijk in te rijden om een soort angstbeeld te krijgen van saaiheid, gebrek aan fantasie, gebrek aan details, gebrek aan durf om iets moois te maken.

Het wordt tijd dat de stad weer eens tot zijn recht komt. Soms zie ik wel eens delen van een nieuwbouwwijk die heel leuk zijn. Er zijn echt prachtig ontworpen huizen of hele mooie details. Maar als geheel vind ik een stadsdeel zelden echt geslaagd.

En wat er in de tijdschriften staat, daar word ik helemaal niet vrolijk van. Dat is allemaal zo modieus! Vaak zijn gebouwen te overdreven omdat er teveel aan is bedacht. Het worden opgewonden standjes met veel teveel gedoe.”

Uitstraling

Van Der Pol verdiept zich dan ook in het bijzonder in de uitstraling ze die haar gebouw wil meegeven. “Mijn werk moet een natuurlijke uitdrukking hebben. Het moet er staan. Zonder dat het om een architectuurdiscussie vraagt. Mijn architectuur hoeft zichzelf niet te verklaren.”

Van der Pol wil graag dat door haar ontworpen gebouwen ‘gewoon zichzelf zijn’ en dat is juist wat ze mist bij sommige collega’s die in haar ogen veel te krampachtige pogingen doen om binnen een bepaalde architectuurstijl te passen. “Als je een post-modernistisch gebouw bekijkt, lees je het vaak van de gevel af: ‘aha, hier heeft men een timpaan bedacht’. Of men heeft strakke lijnen gewild om modernistisch te zijn. Gebouwen die van zichzelf een zekere schoonheid hebben zijn per definitie niet gemakkelijk onder te brengen in een stijl, ze hebben allerlei karakteristieken door elkaar.”

Daarbij is het voor Van der Pol van groot belang dat de schoonheid van haar architectuur zo sterk is dat zij onafhankelijk is van de (toekomstige) gebruiker.

“Als er een tuinkabouter staat of de verkeerde was buitenhangt moet niet ineens de architectuur naar de knoppen zijn. Een beetje architectuur moet daar tegen ke. Als bewoners de verkeerde gordijnen ophangen, mag dat niet betekenen dat het po niet meer te fotograferen is. Dan heb ik iets fout gedaan. Want er bestaan geen verkeerde gordijnen. Wel verkeerde architectuur.”

Reageer op dit artikel