nieuws

Veertien architecten maken de balans op

bouwbreed Premium

Zelden zal een architectuurtijdperk zo’n versplinterd beeld te zien gegeven hebben, als het huidige. Om de balans op te maken, hoe de overgang naar de volgende eeuw zal uitpakken en wat de leidende thema’s zijn, hebben de Franse architectuurcritici Marianne Brausch (docent aan de Ecole Speciale d’Architecture) en Marc Emery (werkzaam bij Le Figaro en daarvoor chefredacteur van l’Architecture d’Aujourd’hui) gesprekken gevoerd met veertien toonaangevende architecten.

Aanleiding voor hun gesprekken was de, ongegrond gebleken, vrees dat architectuur wel eens ten onder zou ke gaan aan de invloed van allerlei invloeden van buiten: ecologie, psychologie, sociologie, technologie, ideologieen van allerlei snit en, niet op de laatste plaats, de invloed van de media. In hun gesprekken komt dan ook een veelheid aan onderwerpen ter sprake.

Als ‘ijkpunt’ voor alle uitspraken van architecten gaat daaraan een interview vooraf met de welhaast onvergankelijke historicus Bruno Zevi. Die vertelt in het kort nog eens wat zijn zeven “onveranderlijke” toetsstenen voor de beoordeling van architectuur zijn, “de fouten die men sinds het modernisme behoort te vermijden”.

De veertien architecten die aan de tand worden gevoeld zijn: Fuksas, Herzog en de Meuron, Holl, Ito, Kaplicky, Kollhoff, Koolhaas, Kroll, Libeskind, Nouvel, Peichl, Perrault, Siza en Steidle. Brausch en Emery slagen erin door middel van puntige vragen de gesprekken helder en ter zake te houden.

Als uitgangspunt dient werk van de architecten zelf, dat vervolgens in een breder kader wordt bediscussieerd. Zo loopt het gesprek met Fuksas uit op een pleidooi voor spiritualiteit, voor ruimte voor fantasie en emancipatie, die volgens Fuksas niet te vinden zouden zijn in de gangbare mechanistische en schematische ontwerpen. “Wat is architectuur anders dan een werk van de geest voor de geest?”

Met Herzog en De Meuron handelt het gesprek over de vraag in hoeverre de omgeving waarin een gebouw geplaatst wordt het ontwerp kan dicteren, en over materialisering. Steven Holl vertelt over zijn fenomenologische aanpak. (“De combinatie van duisternis en de geur van teer en hout roept een specifiek gevoel op dat eigen is aan Noorse kerkjes.”) Jan Kaplicky spreekt zich uit over de relatie met de bouwindustrie. (“Die heeft geen belang bij verandering, dus bouwen wij nu nog net zo als honderd jaar geleden.”) Met Hans Kollhoff is natuurlijk Berlijn uitgangspunt voor een gesprek over stedebouw, zoals bij Dominique Perrault diens ontwerp voor de Tres Grande Bibliotheque uitgangspunt voor een gesprek over monumentaliteit is. Aardige parallel met de in Nederland bekende trend van ‘wethoudersarchitectuur’ (iedere wethouder zijn buitenlandse ster-architect voor een prestigieus po) is de trend die Steidle in zijn betoog over de relatie met de politiek ziet in Frankrijk – daar is sprake van “burgemeestersarchitectuur”.

De gesprekken zijn gevoerd in het Frans en Engels maar in het boek in het Duits weergegeven. Deze vertaalslag heeft gelukkig geen grote schade berokkent. De illustraties bij de tekst zijn bescheiden maar adequaat om de gespreksthema’s en besproken werken aan te duiden.

M. Brausch/M. Emery: ‘Fragen zur Architektur’. Uitg. Birkhauser, Basel 1995; 16×24 cm, 220 blz, DM 68. ISBN 3.7643.5592.1

Reageer op dit artikel