nieuws

Mer staat steeds vaker ter discussie

bouwbreed Premium

De Milieu Effect Rapportage veroorzaakt steeds meer discussie. Toen begin vorig jaar het hoge water Nederland bedreigde stelden velen dat mer-procedures de verbetering van de rivierdijken vertraagden. Dit ondanks het feit dat de mer-plicht voor deze werken pas op 1 september 1994 inging. Mede daardoor liet de Evaluatiecommissie Wet milieubeheer (ECW) Heidemij Advies en het Centrum voor wetgevingsvraagstukken van de faculteit Rechtsgeleerdheid van de KUB nader onderzoek doen naar de mer. Dat leverde het rapport ‘Resultaten positioneringsonderzoek mer’ op.

Beide organisaties bestudeerden de meerwaarde van de mer-procedure ten opzichte van de reguliere vergunningverlening volgens de Wet milieubeheer (Wm). De onderzoekers maakten een vergelijking tussen de procedure van de Wm-vergunningverlening met en zonder mer.

Voorts kwamen de eisen van de EG-richtlijn mer en het Espoo-verdrag voor de Nederlandse mer aan de orde. Dit toonde aan dat de Nederlandse mer-procedure veel elementen toevoegt aan de procedure voor de vergunningverlening. In beperktere mate gebeurt dat door de EG-richtlijn en het Espoo-verdrag. Het praktijkonderzoek behandelde vijf poen met en vijf zonder mer-procedure. Het ging hierbij onder meer om bergplaatsen voor baggerspecie, stortplaatsen en warmte/krachtkoppeling. Hieruit bleek dat de mer enkele verbeteringen aanbrengt in de procedure voor de vergunningverlening. Temeer omdat de mer meer ingaat op het milieu geeft door een grotere aandacht voor het beleid, een betere onderzoeksmatige onderbouwing en een meer integrale beoordeling.

Grotere kennis en aanwezige informatie maken de discussie zakelijker, een doelstelling van de mer. De toepassing ervan in Wm-procedures draagt echter nauwelijks bij aan andere doelstellingen als een snellere voortgang, het verminderen van de bestuurlijke last en het nemen van een voorschot op toekomstig beleid.

Verder bestaan er nogal wat inhoudelijke overeenkomsten tussen vergunningen met en zonder mer. Dat gebeurt vooral in gevallen waarin voor de desbetreffende inrichting of activiteit standaardvoorschriften bestaan. Te denken valt hier aan algemene maatregelen van bestuur, richtlijnen, circulaires of standaardnormen die een bedrijfstak zelf hanteert.

Praktijk

De praktijk discussieert regelmatig over nieuwe vormen van de mer voor het eenmalige onderzoek van alternatieven en milieu-effecten van activiteiten of beslissingen. Te denken valt aan de basis-mer die ingaat op technieken voor onder meer het verwerken van zuiveringsslib. Door de snelle technologische ontwikkelingen bestaat de kans dat zo’n mer vlug veroudert of dat er te weinig basisgegevens zijn om alternatieve technieken afdoende te vergelijken.

Een koepel- of gebieds-mer gaat in op een terrein voor de vesting van meerdere Wm- en (veelal) mer-plichtige bedrijven. Een voorbeeld daarvan biedt een bestaande stortplaats waar een groot aantal inrichtingen wordt gevestigd. De definitie van het begrip ‘inrichting’ in de Wm beperkt de realisatie van de koepelgedachte. Dit begrip voorziet niet in de oprichting van een cluster van verschillende inrichtingen waardoor geen integrale Wm-vergunning kan worden verleend.

Beperking

Een bedrijfs-mer komt overeen met een koepel-mer maar heeft betrekking op verschillende locatie en/of procesonderdelen van een groot bedrijf. Ook hier is de definitie van het begrip ‘inrichting’ een juridische beperking voor het verlenen van een Wm-vergunning. Bij een normerings-mer doorloopt een strategische beleidsbeslissing de procedure. Het besluit dat daaruit voortkomt hoeft bij uitvoering niet nog eens een mer-procedure te doorlopen. Te denken valt hier aan algemene maatregelen van bestuur zoals het Stortverbod. Deze variant draagt bij aan onderlinge afstemming en vermindert de bestuurslast.

Vervanging van de mer door een Wm-vergunning voor inrichtingen is alleen dan mogelijk wanneer de organisatie van de vergunningverlening in vergaande mate professioneler wordt. Voor gevallen waarin de mer weinig aan de besluitvorming toevoegt ke meer ontheffingen worden verleend. De ‘aangeklede’ Wm-vergunning kan in bepaalde situaties als alternatief dienen voor de inrichtings-mer. Als gevolg daarvan worden besluiten ten aanzien van inrichtingen uit de verplichte categorieen van het mer-besluit geschrapt. Een zeer bruikbare variant is de ‘mer op maat’. De nadruk ligt hier op een goede discussie over de startnotitie die voorkomt dat niet-relevante zaken een rol spelen. Een vijfde alternatief voor de bestaande Wm-procedure met mer is een ‘uitgebreide startnotitie’. Aan de hand daarvan kan worden besloten wel of niet verder te gaan met de mer. Een andere keuze betreft een verkorte en afgeslankte mer die in bepaald gevallen kan dienen als alternatief voor de inrichtings-mer.

Noodzakelijk

De bestaande procedure voor de vergunningverlening inzake de Wm biedt in theorie reeds mogelijkheden om de toegevoegde waarde van de mer ook zonder zo’n procedure te bereiken. Bovendien kan buiten de procedure om deze waarde worden behaald. Een betere benutting van de Wm is echter noodzakelijk. Daarop bestaat vooralsnog weinig zicht. Bovendien zijn enkele aanpassingen nodig die het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft aanvullend onderzoek te vragen naar de milieubelasting en overwegingen omtrent alternatieven. Verder stelt de EG-richtlijn mer-eisen waaraan eveneens met worden voldaan om mer-plichtige activiteiten te beoordelen aan de hand van alleen de Wm-vergunningprocedure.

Reageer op dit artikel