nieuws

Snobistische genoegens van de wijnliefhebber Betere fles moet in passende stijl geopend

bouwbreed Premium

Voordat u de wijn inschenkt moet de fles worden geopend. Een waarheid als een koe, maar over dat openen valt veel te zeggen en dat wilde ik deze keer (in beperkte mate) doen.

Mogelijk zijn we allemaal onze wijnliefhebbersloopbaan begonnen met een ‘gemakkelijke’ wijn, uit een kartonnen pak of uit een literfles met schroefdop. Het openen daarvan is sfeerloos en vereist geen kennis. Wie is doorgegaan in de wijn, heeft dat waarschijnlijk nu wel verdrongen.

Daarna kwam vrij snel de kurketrekker als noodzakelijk attribuut. De eerste vertegenwoordigers in dit genre waren de primitieve trekkers. Vooral bij vastzittende kurken was het werken daarmee geen genoegen: fles in de linkerhand, kurketrekker in de rechter en als de stop dan losschoot, kwam er wel eens een scheut wijn op het parket of dressoirkleedje terecht.

Maar met de emancipatie van de wijndrinker ontwikkelden zich ook zijn gereedschappen. De openers, die via een dunne holle naald met een pompje of zelfs een koolzuurpatroon overdruk onder de kurk bewerkstelligden, was geen lang leven beschoren. Terecht. Zelfs voor de goedkoopste slobber is overdruk niet goed en met nog een atmosfeer erbij wilde een slordig geblazen fles wel eens uit elkaar spatten, hetgeen slecht voor het avondje was en slecht voor het behang.

De goed doordachte Amerikaanse ‘screw pull’ met zijn teflon coated spiraal heeft ook nooit de populariteit gekregen die de juichende introductie deed veronderstellen. Misschien vormden de twee poten waarmee het instrument op de te openen fles moest worden gehouden, een zwak punt; als men die niet stevig bijeenhield, trok de ‘screw pull’ zichzelf aan rafels.

Wat bleef waren de hefboomkurketrekker en het ‘sommeliersmes’.

Vooral de laatste heeft een ontwikkeling meegemaakt die nog niet lijkt afgelopen. In principe is het een simpel instrument met drie onderdelen: het mesje om de capsule eraf te snijden, de ‘krik’ om op de hals van de fles te zetten en de eigenlijke spiraal. Die zijn er in honderden varianten en kwaliteiten. De goedkoopste, die nog geen tientje kost, is kenbaar aan snelle roestvorming, een mesje dat spoedig bot wordt of nooit scherp geweest is en een spiraal die maar met de grootste krachtsinspanning of scheef de kurk ingaat.

De duurste ( f. 255!) wordt door de Maastrichtse wijnkoper Erik Sauter verkocht. Het is er een van de beroemde Franse messenfabriek Laguiole, een naam waarvan zelfs de gevreesde criticus Johannes van Dam rechtop gaat zitten. Het van superieur staal gemaakte mes kan capsules te lijf, maar ook een aardappel of peterselie. De ‘krik’ glijdt niet van de flessehals af, de spiraal gaat zelfs door lastige kurken als een warm mes door de boter. Het lemmet is van zwart, vochtbestendig, zeer hard hout. De koper krijgt zijn naam in het lemmet gegraveerd. Hij staat dan veel sterker in de discussie met degene die het werktuig even van hem heeft ‘geleend’, merkt Sauter wijs op. Hij is lyrisch over de Laguiole ((wie wil laten merken dat hij de wereld kent, spreke dat als Lajole uit) en dat is te begrijpen.

Toegegeven: een fles kan goedkoper worden geopend. Maar die goed bewaarde wijn uit 1953 in een bouteille lourde, die u ter gelegenheid van de verjaardag (of zo) van uw dierbare uit de kelder heeft gehaald, die gaat u toch ook niet uit limonadeglazen drinken? Daar komt kristal aan te pas.

Reageer op dit artikel