nieuws

‘Ik ben een heel spontaan en open mens’

bouwbreed Premium

Een ongecompliceerd karakter. Iemand die altijd de zonnige zijde van het leven blijft zien. Een optimist. Zo typeert Bram Visser, in het dagelijks leven vice-voorzitter van de bouw- en houtbond FNV, zichzelf. Hij is pragmatisch en ziet zichzelf niet als een ‘geboren vakbondsleider’. Hij staat liever dicht bij het centrum dan er middenin. Tijdens het afsluiten van de laatste bouw-cao, waar Visser namens de bonden als eerste woordvoerder optrad, moest hij die voorkeur even opzij zetten. “Tja, als je eenmaal in dat centrum staat, dan doe je wat er van je wordt verwacht.” Een portret.

Op zijn werkvertrek in het Woerdense hoofdkantoor van de bouw- en houtbond FNV zit Bram Visser aan de telefoon. “Correct”, schalt het met stentorstem door de kamer van de vakbondsbestuurder. Het blijkt de kreet van Visser te zijn als hij zijn instemming wil betuigen.

Correct, en zelfs een beetje afstandelijk, lijkt op het eerste gezicht ook de beste typering voor deze vakbondsman. Het licht Friese accent en zijn neiging om enigszins zakelijk maar vooral zorgvuldig te antwoorden op de vragen die hem worden gesteld zijn hier voornamelijk de oorzaak van. Visser: “Ik ben in principe een heel spontaan en open mens. Ik kijk altijd wel even de kat uit de boom. Daarom maak ik op het eerste gezicht vaak niet zo’n toegankelijke indruk”.

Opstandig

Bram Visser ziet zijn vak niet als een roeping. “Ik geloof er niet in dat je als vakbondsman wordt geboren. Ik heb wel altijd een sterke ambitie gehad om me in te zetten voor het werknemersbelang. De belangrijkste drijfveer is mijn aangeboren verzet tegen afhankelijkheid. Te sterke afhankelijkheid maakt me opstandig. Ik kreeg eens van een baas het aanbod om, samen met een vaste kern, een vakantiehuisje te delen. Daar houd ik dus helemaal niet van.”

“Ik vind het ook vreselijk om te zien als werknemers zich te afhankelijk opstellen tegenover hun werkgever. Wie zich zo gedraagt wordt geringeloord, zo is mijn vaste overtuiging. Werknemers beseffen vaak niet hoe sterk hun positie is. Soms heb ik de neiging om ze dat toe te schreeuwen. Ik ben dan ook een groot voorstander van vakbondsactiviteiten op de werkvloer. Daar wordt immers het draagvlak gecreeerd en het bewustzijn van de kracht van organisatie. Medezeggenschap, ondernemingsraden en bondswerk in bedrijven zijn daarom zo ontzettend belangrijk. Als bouwbond gaan we daar weer meer aandacht aan besteden.”

Uit de band springen

Begin jaren ’60 begon Visser (56) zijn carriere als timmerman. Toen hij op het punt stond om bouwkundig opzichter te worden (“ik moest net examen doen”) werd hij door toenmalig voorzitter van de bouwbond NVV, Wim Kok, gevraagd om voor de bond te gaan werken. “Ik heb er wel even over na moeten denken. Ik had het prima naar mijn zin in de uitvoerende bouw. Het had ook de nodige consequenties. Het betekende dat ik vanuit Friesland moest verhuizen naar de omgeving van Amsterdam. Het werd uiteindelijk Wormer.”

“Mijn binding met Friesland is overigens niet bijzonder groot”, zo onderbreekt hij de mondelinge opsomming van zijn CV. “Het is een prettige provincie. Het karakter van de Fries is standvastig, niet stijfkoppig zoals de Groninger of zuur als de Drent. Een Fries heeft humor en kan nog eens uit de band springen.”

“Ik geniet snel. Als het straks voorjaar wordt en ik kan weer wat in de tuin werken, dan ben ik al gelukkig. Wat dat betreft zal ik een kind blijven. Misschien heb ik een licht Bourgondische inslag, maar ik hou er niet van om grenzen te overschrijden”.

Om de chronologie te vervolgen: de bouwbond verkaste in 1973 naar Woerden. Visser verhuisde met zijn gezin naar Oudewater. In 1976 werd hij districtsbestuurder in Zuid-Holland. Dit district verwisselde hij in 1985 voor Utrecht, waarna hij een jaar later toetrad tot het landelijke bondsbestuur. Drie jaar geleden werd hij benoemd tot vice-voorzitter van de bond.

Voeling houden

Aan het ‘toeschreeuwen’ van bouwvakkers gaf Visser zich tijdens de bouwstakingen overigens regelmatig over. Om de moed bij de stakers erin te houden sprak hij grote groepen – voornamelijk vanwege de registratie ten behoeve van de stakingsuitkering opgekomen – bouwvakkers toe. Van de Jaarbeurs tot in achterafzaaltjes verkondigde Visser bevlogen de strategie van de vakbondsdelegatie. “Het is belangrijk om tijdens zo’n periode voeling te houden met de groep waarvoor je zit te onderhandelen. Mede daardoor ben ik steeds overtuigd geweest in wiens belang ik het deed en waarvoor.” Het was voor hem de eerste keer dat hij zo’n grote cao afsloot. Eerder werkte hij mee aan overeenkomsten voor de timmerindustrie en de houthandel. “Zo’n grote overeenkomst geeft een zware verantwoordelijkheid. Het idee dat je 35.000 stakers achter je hebt staan geeft een prettig gevoel. Maar het was geen makkelijke tijd. Uiteraard wilde ik ook dat de staking zo kort mogelijk zou duren. Aanvankelijk was ik ervan uitgegaan dat ik met Hans Vahstal (eerste onderhandelaar van werkgeverszijde, red.) er zonder staking uit zou ke komen. Als partners die allebei voor het eerst de kar trokken had ik gehoopt dat ook hij er eer in zou leggen er via de onderhandelingstafel uit te komen. Ik wilde de vijf jaarcyclus in het stakingsregime (in ’80 en ’85 werd er ook gestaakt, red.) doorbreken.

Paniekmomenten

Toen dat niet bleek te lukken deinsden we als vakbonden niet terug voor acties. Ik heb toen wel mijn paniekmomenten gehad. Ik stel prijs op communicatie, maar op een gegeven moment werd er helemaal niets meer uitgewisseld tussen de onderhandelaars. Dat maakte me onzeker. Daarnaast heerste er, met name tijdens de diplomatieke, aftastende fase, gebrek aan consistentie in het werkgeverskamp. Je bent dan continu openingen aan het zoeken en oplossingen aan het bedenken. ‘s-Nachts was ik in m’n hoofd nog bezig te onderhandelen. Op een zeker moment vroeg ik me echt af hoe we er in godsnaam uit zouden komen. De stakingen gingen maar door. Ook de pers leek nauwelijks belangstelling voor de stakingen te hebben. Ze had veel eerder een rol ke spelen in de vorming van de publieke opinie. Maar we hadden onder meer de pech dat de boeren ook actie voerden en de pers zich op andere zaken richtte.”

Solidariteit neemt af

In het grote aantal jaren dat Visser inmiddels meeloopt bij de vakbond is er volgens hem weinig veranderd in de ideologie. “Het belang van de werknemer heeft bij de vakbeweging altijd voorop gestaan. Wel is in maatschappelijk opzicht de solidariteit afgenomen. Mensen zijn materialistischer en individualistischer geworden. Als het gaat om Ziektewet en WAO vind ik dat een slechte zaak. Men lijkt niet meer bereid om gezamenlijk de lasten te dragen. Er is minder oog voor de zwakkeren in de samenleving.”

Als overtuigd PvdA’er bekleedde Visser in diverse gemeenten de functie van partijvoorzitter. “Ik vond het interessant om in bestuurlijke zin het PvdA-beleid te helpen formuleren. Als ik naar de huidige, landelijke partijvoorzitter (Felix Rottenberg) kijk, heb ik daar wel mijn bedenkingen over. Hij is te veel gericht op de kaderorganisatie en te weinig bezig met de leden. In mijn visie vormen de leden, ook bij de vakbond, het belangrijkste klankbord. Daar moet het beleid van de partij vandaan komen.”

Bram Visser heeft geen spectaculaire hobby’s. Tennissen, wandelen en af en toe een goed boek. Wanneer hij zijn carriere over zou mogen doen, zou hij musicus zijn geworden. “Ik bespeel geen instrument, maar het lijkt me fantastisch. Ik ben een verenigingsmens. Ik speel toneel. Ik hou van gezelschap. Als ik met de vut ga wil ik de Grande Randonnee 5 (wandelroute van Amsterdam naar Nice) gaan lopen. Dat lijkt me prachtig.”

Reageer op dit artikel