nieuws

Schade in de CAR-polis

bouwbreed

De aannemer, die een Construction All Risks (CAR) verzekering afsluit, is geneigd te denken dat alles wat men in het spraakgebruik onder schade aan het werk verstaat door zo’n polis gedekt wordt. Vorig jaar is dat echter door een bindend adviseur tegengesproken, toen hij een verschil van mening tussen een aannemer en zijn CAR-verzekeraar moest beslechten. Die opvatting heeft nogal wat onrust in onze bouwwereld veroorzaakt.

Het is begonnen in januari 1994. Toen kwam een verzekeringsdeskundige, die voor de aannemer en diens verzekeraar een bindend advies moest uitbrengen, tot de conclusie dat gevelstenen, die verwerkt zijn in een gevel, niet meer beschadigd ke worden in de zin van de CAR-polis. Wat was er gebeurd?

Bij de bouw van een 44-tal woningen werd een gevel verontreinigd door opspattend regenwater en het wegbezemen van de uitgekrabde metselmortel. Daardoor ontstonden bruine vlekken in banden van enkele steenlagen hoog; die waren volgens TNO-Bouw waarschijnlijk veroorzaakt door opspattend regenwater, waarin de mengolie van de nog onverharde metselmortel was opgenomen. De vlekken waren wel voor het grootste gedeelte met waterstralen, waarin zand was opgenomen, te verwijderen, maar dat hielp alleen tegen de oppervlakkige verkleuringen. Niet tegen de diepere vervuiling in de porien van de stenen. Daarin zat een zeer donkergrijze tot zwarte mortel, die er met een priem nauwelijks uit te peuteren was.

Het schoonmaken van die stenen zou alleen ke gebeuren met een zuur preparaat of een straalprocede. Daardoor dreigden echter de grindkorrels van de stenen hun mortelomhulsel gedeeltelijk te verliezen. Tussen de aannemer en de verzekeraar ontspon zich nu een discussie of deze gevelvervuiling gedekt was door de CAR-polis. Daarbij was doorslaggevend of de verontreiniging van de gevel een schade was, zoals die in de CAR-polis was omschreven. Daar stond met zoveel woorden: “Deze verzekering dekt ….. alle schade aan het werk, derhalve inclusief schade ten gevolge van eigen gebrek, ondeugdelijke materialen, ondeskundigheid of onvoldoende deskundigheid van personen voor wie verzekerde verantwoordelijk is, constructiefouten, foutieve werkwijze, fouten in het ontwerp alsmede slijtage en/of achteruitgang ten gevolge van veroudering of gering gebruik. 0onder schade uitdrukkelijk te verstaan materiele schade, verlies of vernietiging.”

Men zou op het eerste gezicht denken, dat -nu alle schade aan het werk gedekt was- ook de gevelverontreiniging dat was. Maar omdat aan het slot van dit polis-artikel wordt geeist dat er sprake moet zijn van materiele schade was de enige vraag die overbleef of deze vervuiling een materiele schade opleverde. De assuradeur vond van niet. Hij zei dat voor materiele schade hier ook gelezen kon worden: “achteruitgang van kwaliteit of hoedanigheid” en daarvan was volgens hem geen sprake omdat het werk vanaf het moment van bouwen/metselen altijd zo geweest was. Dat was een wat onduidelijk standpunt, want “zo” was (de gevel van) het werk bepaald niet steeds geweest.

De aannemer was wat gemakkelijker te verstaan. Die zei dat een vervuiling, die alleen maar door een beschadiging kan worden verwijderd (hij zei “schoongemaakt” maar dat kun je natuurlijk alleen maar met iets dat vervuild is, in ons geval de gevel) wel degelijk een schade is. De verzekeringsmaatschappij kreeg overigens wel gelijk van de bindend adviseur. Uit diens verhaal is wat beter te begrijpen wat de verzekeraar waarschijnlijk bedoelde met zijn stelling dat het werk “altijd zo was geweest”.

Naast de vraag of hier alleen maar sprake was van een esthetische kwestie was ook van belang, dat voorwaarde voor het bestaan van een beschadiging is dat een zaak ooit goed is geweest. Voor een CAR-verzekering is die voorwaarde essentieel omdat het object van zo’n verzekering een zaak in wording is. Maar wanneer kan men bij de bouw van een bouwwerk zeggen dat dit ‘goed’ is? Zeker niet pas als het voltooid is, want dat zou betekenen dat de CAR-polis dan praktisch nutteloos zou zijn, vond ook de deskundige. Dus, redeneerde hij, kleinere onderdelen moeten als “goede zaken” zijn aan te merken wil men van een redelijke polisdekking ke spreken.

In het algemeen kun je bouwdelen, die een afgeronde verwerkingsfase hebben ondergaan, aanmerken als zaken die vatbaar zijn voor beschadiging. De bouwmaterialen, die opgaan in zo’n bouwdeel verliezen in die fase hun zelfstandigheid en ke vanaf dat moment niet meer worden beschouwd als te beschadigen zaken. Consequent doorredenerend kwam hij zo tot de opvatting, dat de gevel het te vormen bouwdeel was en dat dus de stenen die in die gevel waren opgegaan niet meer beschadigd ke worden in de zin van de CAR-polis.

Nu kan van een voltooide gevel pas worden gesproken als de mortel gehard en met de stenen een stijve massa geworden is. Dat nog niet voltooid zijn op het moment van de besmeuring betekende weer dat de gevel niet kon worden beschadigd in de zin van de CAR-polis! De assuradeur werd dus helemaal in het gelijk gesteld, maar was dat nu wel terecht?

Om te beginnen valt in deze theoretisch opgebouwde redenering op, dat daarin wordt uitgegaan van de stelling dat zaken die hun zelfstandigheid hebben verloren niet meer voor beschadiging vatbaar zijn. Juridisch gezien is een huis in aanbouw een “zaak” en onderdelen, die in deze uitspraak als “goede zaken” (die dus voor beschadiging vatbaar zijn) worden beschouwd zijn dat niet. Dat zijn bestanddelen van de hoofdzaak.

Kijk maar in artikel 4 van Boek 3 van het nieuwe B.W. Een gevel is -juridisch gezien- dus geen zaak, maar een bestanddeel van het huis, al dan niet in aanbouw. Als je, zoals de adviseur, in zijn door hemzelf aangehaalde boek materiele schade omschrijft als “fysieke aantasting van een zaak” slaat de beschadiging waar het hier om ging op een fysieke aantasting van het huis in aanbouw. Dat is wat in de CAR-polis als “het werk” is aangeduid. Als je vindt, zoals onze deskundige, dat de metselstenen niet meer als te beschadigen zaken konden worden beschouwd, betekent dat nog niet dat dit ook gold voor het werk (het huis).

Zo redenerend kom je ook niet tot de wat gekunstelde opvatting, dat het nodig is kleinere eenheden (lees bestanddelen) van een huis als “goede zaken” te kwalificeren hoewel een zaak, hier dus het huis, eigenlijk helemaal af moet zijn om te voldoen aan de eis dat er pas van beschadiging sprake kan zijn als de zaak eerst goed is geweest. In mijn benadering dient niet de vraag of de gevel al voltooid was op het moment van de verontreiniging in deze kwestie de beslissende rol te spelen maar of hier sprake was van een materiele schade (fysieke aantasting) van een zaak, in dit geval een huis in aanbouw. Dat was toch het door de verzekering gedekte “werk”! Het ging hier immers niet alleen om schade aan de gevel, het wat gekunstelde “afgeronde bouwdeel”, dat maar een onderdeel van het huis in aanbouw was? In een analoog geval, dat zich in hetzelfde jaar afspeelde, komt de gewone rechter tot een wat andere conclusie dan deze bindend adviseur. Daarover vertel ik U een andere keer.

(BR 1995 p. 698)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels