nieuws

Nijmegens mooiste museum

bouwbreed

Nijmegen krijgt een mooi museum, maar wordt het ook het mooist denkbare museum. Uit vijf prijsvraagontwerpen verkoos de jury dat van Benthem en Crouwel. De opdrachtgever gaat echter dat van Van Berkel bouwen. De ontwerpen zijn tot en met 7 oktober in het Nijmeegse stadhuis tentoongesteld en in een catalogus samengevat.

De prijsvraag in Nijmegen was een buitenkans. Voor de vijf architecten die na een Europese aanbesteding waren geselecteerd een buitenkans om een museum te ontwerpen, en dan nog wel op zo’n fantastische locatie als het Kelfkensbos. Dat is nu een parkeerplaats annex midgetgolfbaan, maar die heuveltop beheerste van de Romeinse tijd af stad en land. De locatie wordt begrensd door een stadswal met enorme kastanjes en omgeven door de romantische parken van Valkhof en Belvedere die het hoogteverschil met de Waal dramatiseren.

De prijsvraag was ook een buitenkans voor Nijmegen, want vijf gerenommeerde architectenbureaus hebben hun visie gegeven: de Belg Stephane Beel samen met Arjan Karssenberg, Benthem en Crouwel, Van Berkel en Bos, Aldo en Hannie van Eyck, en de Berlijner Hans Kollhoff. Architecten met heel verschillende opvattingen.

Uiteindelijk blijkt het verschil in de ontwerpen beperkt te zijn gebleven. Uit de ontwerpen is af te lezen dat de locatie zo overweldigend is dat die weinig keuzevrijheid laat. Vier van de vijf ontwerpen zijn paviljoens in de ‘schaduw’ van de stadwal. Ook is de verbeelding ingetoomd door het beperkte budget van de opdrachtgever, een combinatie van gemeente, provincie en de fuserende musea Commanderie en Kam. Het gevaar bestaat dat de stad zich met dat budget tekort doet. Het Kelfkensbos is niet zomaar een bouwterrein!

De jury bestond uit zwaargewichten: de architecten Apon en Patijn (tegenwoordig Rijksbouwmeester), de museumdirecteuren Beeren en Van Grevenstein en de stedebouwkundige Rein Geurtsen. De stem van die laatste klinkt duidelijk door in de kritiek op de herinrichtingsplannen die Nijmegen in petto heeft voor het Kelfkensbos en omgeving. Kort gezegd: teveel verkeerskunde en te weinig oog voor de historisch gegroeide vorm van de stad. Het dreigt een vormeloos rommeltje te worden, welk prachtig museumplan ook wordt gebouwd. De waarschuwing van de jury is terecht: als opgave en locatie buitenkansen bieden, mag omgekeerd van gemeente en overige opdrachtgevers worden geeist dat ook zij tot de toppen van hun ke gaan.

Verschil in paviljoens

Zoals gezegd hebben vier van de vijf architecten een paviljoen bedacht. Het vijfde ontwerp, van Benthem en Crouwel, is een smalle hoge schijf.

De paviljoens zijn vergelijkbaar in volume (van doorgaans drie bouwlagen) en situering (al dan niet overhoeks vlak tegen de stadswal aan) maar verschillen binnen die omhulling radicaal.

Kollhoff heeft een uitgesproken klassiek blokje ontworpen, compleet met toren, vijver en statige zalen. Een waarlijk stijlvolle verschijning, die zich overhoeks van alle kanten laat bewonderen. Maar het plein van het Kelfkensbos, als ‘balkon’ dat uitkijkt over de Waal, ligt er onbeholpen bij. Zou de architect op het verkeerde been zijn gezet door de vormeloosheid van de gemeentelijke herinrichtingsplannen?

De Van Eycks hebben dat beter opgelost. Hun entree ligt aan het plein, ietwat verhoogd. Ook van binnenuit zijn de zichtlijnen op de omgeving subtieler gemanipuleerd. Maar in dit plan is het van de weeromstuit de zijkant aan de Jorisstraat die, als veredelde expeditieruimte, niet voldoet. Het forse bouwvolume ligt eerder in de weg dan dat het werkelijk “vanuit die kastanjes” voortkomt, zoals het motto van deze prijsvraaginzending wil doen geloven. Voelbaar is hoe dwingend de locatie is – je kan er met een paviljoen eigenlijk nauwelijks uit de voeten.

Om plein en stadswal niet te scheiden hebben Beel en Karssenberg hun paviljoen op ingenieuze wijze doorsneden met allerlei buitenruimtes. Een ‘tour de force’ die weinig soelaas biedt: ook bij dit paviljoen verkommert de trotse stadswal en is niet meer dan een achtergronddecor.

Verbeelden/verdwijnen

Het grote probleem is, dat de locatie grotendeels al ‘klaar’ is. Het is een parkachtig plein dat naar het noorden, tussen Valkhof en Belvedere door, uitkijkt over de Waal, aan de zuid- en westzijde begrensd wordt door stadswanden en aan het oosten door een oud stuk stadswal. Vooral die te, monumentale begrenzing is eigenlijk al af, en alles wat je ervoor zet doet er eerder afbreuk aan, en vertroebelt de heldere situatie meer dan dat het iets toevoegt.

Het paviljoen van architect Ben van Berkel levert van alle paviljoens nog de beste bijdrage aan de omgeving. Dat komt doordat Van Berkel de bepalende facetten van de locatie in zijn ontwerp heeft herhaald. De herhaling is natuurlijk niet letterlijk, maar een kunstige verbeelding. Het langwerpige volume, vrijwel evenwijdig aan de stadswal, neemt de rol over van die wal als begrenzing van het plein. De zijgevel ‘herhaalt’ de rooilijn van de Jorisstraat. De brede entree aan het plein voert met een monumentale trap direct omhoog naar de wal, zodat deze ook daadwerkelijk aanwezig blijft. Evenwijdig aan de wal voert een glazen passage langs de museumzalen en naar een balkon dat uitkijkt over de Waal. Hetzelfde patroon dat de wal zelf biedt. Het balkon is van buitenaf herkenbaar als een serie uitkragende verdiepingen. De inrichting van het plein verbeeldt met enkele plateaus en een hellingbaan de dynamiek van het heuvellandschap, zoals die in het omringende park eind vorige eeuw al zo romantisch was verbeeld.

De architecten Benthem en Crouwel hebben, om te ontsnappen aan de dwang van de stadswal, de enig andere mogelijkheid gekozen die denkbaar is naast het verbeelden van de omgeving: het erin verdwijnen. Hun museum ligt grotendeels onder de grond, onder een glazen dak, met her en der een ingesneden patio. Hun balkon is ook ondergronds, en steekt door het talud van het Kelfkensbos, richting Waal. Wel prominent aanwezig is een glazen schijf met bovenin kantoren en op de begane grond ruimte voor wisselexposities. De hoge schijf neemt de rol van de stadswal als begrenzing van het plein over, maar de wal blijft zichtbaar, dwars door de schijf heen. Tussen schijf en wal ligt het glazen dak van het ondergrondse museum, een aanzienlijke ruimte die kan dienen als beeldentuin.

Verbeelden of verdwijnen: twee oplossingen van hoog niveau. Uit het juryrapport spreekt dat de jury onmiddellijk viel voor het plan van Benthem en Crouwel. Dat laat de het helderst de locatie voor zichzelf spreken. Dat is de winnaar.

Geld en mist

Toch koos de opdrachtgever niet de winnaar, maar de tweede prijs om te bouwen. Waarom? Geld?

Benthem en Crouwel dachten ongeveer f. 1700 per vierkante meter te mogen besteden aan het bouwkundige werk (excl. inrichting e.d.). Vergelijking met de musea van onder andere Groningen en Maastricht leerde hun dat meer nodig was om tot de nodige allure voor deze plek te komen. Zij gingen bewust hoger, op f. 2000 zitten. Een ‘calculated risk’ die verkeerd uitpakte toen bleek dat hun allereerste rekensom op verkeerd begrepen aannames berustte: er is veel minder dan f. 1700 beschikbaar. Dus was hun plan maar liefst 62% te duur, volgens nacalculatie door Haskoning. Begrijpelijk dat de opdrachtgever voor deze sprong in bouwkosten terugschrok.

Maar hoe zit dat met de andere plannen, hoe duur zijn die? Naar verluid is Van Berkel 12% te duur. Openheid daarover, en over de andere exacte ‘prestaties’ van de plannen, wil de poleiding niet geven. Dat is vreemd. (En het achterhouden van dit beoordelingsrapport is waarschijnlijk ook in strijd met de wet openbaarheid van bestuur.) Wie mist opwerpt heeft meestal wat te verbergen. Of is het vooral vrees voor discussie en tweespalt? Te nadrukkelijk en niet correct wordt het plan van Van Berkel als winnaar geafficheerd en wordt dat van Benthem en Crouwel op allerlei onderdelen overdreven bekritiseerd.

Vanaf de zijlijn past hier alleen de waarschuwing dat niemand moet denken voor een koopje op de eerste rang te ke zitten.

El Croquis

Met deze waarschuwing is niet gezegd dat het plan van Van Berkel niets kan worden. Zeker niet. De soberheid daarvan is zeer effectief. Het interieur is efficient, met de voorzieningen op de begane grond en museumzalen op de verdieping, maar kent ook een verleidelijke opeenvolging van ruimtes. Het kan prachtig worden, mits de architect voldoende tijd en geld wordt gelaten om het plan verfijnd te detailleren.

Het internationaal trendsettende Spaanse tijdschrift El Croquis heeft net een nummer gewijd aan het werk van Van Berkel. Een niet geringe eer. Vergeleken met dat overzicht, waarin ruimtes, routes en wanden buitelen en verdraaien als in een kaleisdoskoop, als golven of vlietende wolken, is het museum een ‘simpel’ plan te noemen. Het is te hopen dat Van Berkel in deze relatieve eenvoud en verstilling dezelfde rijkdom weet te bereiken. Het moet op deze plek het mooist denkbare gebouw worden.

De voorgevel aan het Kelfkensplein van het plan van Van Berkel. Links het uitkragende ‘balkon’ met uitzicht over de Waal, rechts de vlakke zijgevel aan de Jorisstraat. Iets links van het midden voeren een hellingbaan en trappen naar een brede, monumentale ingang.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels