nieuws

Adviesraden: Minister en RPD stellen zaken te rooskleurig voor Uitvoering Vinex stuit nog steeds op grote problemen

bouwbreed

De Rijksplanologische Dienst (RPD) en minister De Boer hebben de gang van zaken rond de uitvoering van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra te rooskleurig voorgesteld. In de praktijk blijkt het “aanmerkelijk minder goed” te lopen, zo constateren de drie adviesraden van VROM in een kritisch advies over de herziening van de PKB Vinex.

Zoals bekend hebben de Rijksplanologische Dienst, in haar Ruimtelijke Verkenningen 1994, en minister De Boer, in een brief aan de Tweede Kamer, voorgesteld af te zien van een nieuwe, Vijfde Nota over de ruimtelijke ordening. Het gaat goed met de uitvoering van de Vinex. Er kan worden volstaan met een actualisatie van het beleid, waarbij met name de periode na 2005 centraal zal staan.

“De ontwikkelingen en analyses die aan het beleid ten grondslag blijken nog onverminderd actueel”, aldus De Boer, die De Kamer tevens wees op het brede draagvlak voor de Vinex in de samenleving. “Voortgaan op de ingeslagen weg is dus voor de komende jaren het advies.”

Volgens de minister gaat het in de periode tot 2005 met name om de uitvoering van de inmiddels afgesloten Vinex-contracten met de stadsgewesten. Het rijk hoeft hierbij niet meer betrokken te zijn. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering en het welslagen van de contracten legt De Boer vooral bij de lokale en regionale overheden. De rijksoverheid beperkt zich tot dienstverlening.

Andere conclusie

De Raad voor de Ruimtelijke Ordening, de Raad voor de Volkshuisvesting en de Raad voor het Milieubeheer komen in hun advies tot een andere conclusie. Onderkend wordt dat het rijk en de andere overheden veel werk hebben verzet, vooral om te komen tot de Vinex-uitvoeringscontracten.

Daar staat echter tegenover dat de uitvoering van de PKB-Vinex-periode 1995-20005 “aanmerkelijk minder goed loopt dan de door de minister onderschreven balans van de RPD aangeeft”. “Weliswaar”, aldus het advies, “zijn en worden de benodigde locaties over het algemeen tijdig bestemd, maar er is reeds sprake van vertraging in de uitvoering, de feitelijke bouw op deze locaties, de aanleg van bedrijfsterreinen en de aanleg van infrastructuur, en er dreigt nog meer vertraging doordat onzekerheden nog niet zijn weggenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de openbaar-vervoerinfrastructuur, bodemsanering en landschappelijke gelding tussen bouwlocaties. Vertraging dreigt ook door onvoldoende samenwerking van departementen, de samenloop met de bestuurlijke reorganisatie, het ontbreken van noodzakelijke instrumenten zoals het Voorkeursrecht gemeenten en de moeilijkheidsgraad van veel locaties. Het einddoel is derhalve nog niet bereikt en van het rijk is nog steeds een duidelijk engagement nodig en een reeel aandeel in de risico’s.”

‘Te vroeg’

Volgens de adviesraden is met de feitelijke uitvoering van Vinex nog maar nauwelijks begonnen. Voor toetsing en herziening van de pkb is het daarom te vroeg. “Eerst moet meer ervaring worden opgedaan”, zo wordt gesteld. Bovendien brengt het aanwijzen van nieuwe woon- en werklocaties voor de periode na 2005 de ontwikkeling van al wel aangewezen Vinex-locaties in gevaar.

Bovenstaande brengt de adviesraden ertoe een nieuwe agenda voor te stellen, voor slechts een beperkte herziening van de PKB. Centraal staat de verbetering van het wettelijk instrumentarium, waarmee lokale en regionale overheden in staat moeten worden gesteld de Vinex-contracten naar behoren uit te voeren. “Met kracht wordt aangedrongen op een forse en substantiele decentralisatie van bevoegdheden en daarmee verbonden geldmiddelen van het rijk aan lagere overheden.”

Daarnaast dient meer geld te worden uitgetrokken voor de periode vanaf 1999, met name voor de infrastructuur. Volgens de adviesraden van VROM zal vanaf dat jaar namelijk een groot tekort ontstaan aan investeringsmiddelen, dat fors zal toenemen na 2003.

In een brief aan de kabinetsinformateurs van mei 1994 hadden de RaRO en de Raad voor Verkeer en Waterstaat al gewezen op een dreigend tekort van f. 50 miljard. En de SER wees eerder op de noodzaak van een extra investering van f. 1,5 miljard per jaar in de infrastructuur. De RPD stelt echter in zijn verkenningen dat er voldoende geld gereserveerd is: f. 34 miljard aan rijksbijdragen.

Dat is niet reeel, aldus de adviesraden. Zij pleiten voor een nieuwe investeringsimpuls van grote omvang. “Het heeft geen zin om met een financieel onrealistisch ambitieniveau te komen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels