nieuws

Schuld aan putcorrosie

bouwbreed

Al een jaar na de oplevering van een verzorgingshuis voor visueel gehandicapten deed zich een lekkage aan de waterleiding in de kruipruimte voor. Het bleek geen incidenteel probleem te zijn want ook daarna traden er lekkages op in de kruipruimte en in de stijgleidingen. Dat was voor het bestuur van het tehuis aanleiding om de aannemer, die het had gebouwd, aan te spreken.

Dit gebeurde voor de eerste keer pas drieeneenhalf jaar na de oplevering van het gebouw. Bij de eerste lekkage had men geprobeerd het loodgietersbedrijf, dat de waterleiding had aangelegd, tot reparatie te bewegen. Dat bleek echter niet tot enige service bereid te zijn. Dus repareerde men maar op eigen kosten.

Na de vijftiende keer vond het bestuur het welletjes: het aannemersbedrijf, dat het tehuis had gebouwd, werd aangesproken tot vervanging van alle leidingen waarin zich de lekkages hadden voorgedaan. Daarbij moest dan wel een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen voor de niet vervangen leidingen. Die laatste eis kon natuurlijk niet worden ingewilligd door de arbiter van de Raad. De U.A.V. die hier toepasselijk waren, bepalen immers dat de aansprakelijkheid van de aannemer eindigt als vijf jaren zijn verstreken na de onderhoudstermijn. Het enkele feit, dat een deel van de leidingen ging lekken kon naar de mening van de arbiter niet met zich brengen dat vervanging van het totale leidingnet kon worden verlangd.

Hij bedoelde natuurlijk te zeggen, dat het de bedoeling van de U.A.V.-bepaling is, om de aannemer na vijf jaar de zekerheid te geven dat hij niet meer aangesproken kan worden voor verborgen gebreken. Inwilliging van de eis van het tehuis zou betekend hebben, dat de aannemer ook gebreken in het leidingnet, die zich binnen vijf jaar nog niet hadden geopenbaard, op zijn kosten zou moeten herstellen. Dat is wat anders dan het vervangen van het hele leidingnet! Wel zou er natuurlijk een nieuwe termijn gaan lopen voor eventuele verborgen gebreken in de gedeelten, die vervangen moesten worden.

Een verplichting daartoe werd de aannemer namelijk opgelegd omdat die zich volgens de Raad niet terecht kon beroepen op het feit dat het bestuur hem niet tijdig had medegedeeld, dat het werk een verborgen gebrek had. De U.A.V. bepalen immers, dat de opdrachtgever zo’n mededeling moet doen binnen een redelijke termijn na de ontdekking van het verborgen gebrek.

Maar was de tijd, die men had laten verlopen na de tweede lekkage wel als een redelijke termijn op te vatten? De arbiter vond, dat de keuze om de reparatie van de eerste lekkage voor eigen rekening te laten verrichten, niet betekende dat de melding van latere lekkages te laat zou zijn gebeurd. De eerste melding was medio 1993 gedaan gedaan en dat was volgens de arbiter binnen een redelijke tijd na de ontdekking ervan gebeurd.

Wanneer de tweede lekkage was opgetreden meldt de arbiter niet in zijn vonnis. Zijn conclusie, dat de melding daarvan binnen een redelijke tijd na de ontdekking ervan was gedaan zou beter onderbouwd zijn geweest als hij ons het tijdstip van die ontdekking had laten weten.

De eerste melding weten we wel: die was van medio 1993. En na de eerste lekkage van begin 1991 hadden zich in de daarna volgende twee jaren ongeveer vijftien lekkages voorgedaan. Maar wanneer was de eerste van die vijftien? Die datum was immers van belang voor de vraag of de melding daarvan medio 1993 niet te laat was!

Als die vijftien gevallen min of meer gespreid waren over de periode van tweeeneenhalf jaar betekent deze uitspraak dat een opdrachtgever zo’n twee jaar mag wachten met het melden van een door hem ontdekt verborgen gebrek. Hoewel er bij mijn weten geen min of meer algemene uitspraken van de Raad op dit punt zijn gedaan, komt zo’n termijn mij toch wel wat te lang voor. Of moet ik uit deze beslissing opmaken, dat de vijftien lekkages zich allemaal in het eerste halfjaar van 1993 voordeden?

De aannemer voerde ook nog aan, dat het hier geen verborgen gebrek betrof, maar ook dat argument werd niet door de arbiter aanvaard. Hij kwam namelijk tot de conclusie dat putcorrosie van de leidingen de oorzaak van de lekkages was. Speciaal met het oog daarop was in het bestek een bepaalde kwaliteit voor de leidingbuizen voorgeschreven.

De loodgieter, onderaannemer van het bouwbedrijf, had die buizen zelfs voorzien van een koolstofbehandeling om corrosie tegen te gaan. Dat betekende echter nog niet dat de aannemer niet aansprakelijk hoefde te zijn als er toch corrosie optrad. Putcorrosie kan immers ook veroorzaakt worden door een onjuist gebruik van vloeimiddel en soldeermiddel. Omdat de lekkages zich concentreerden in de kruipruimte en bepaalde stijgleidingen vond de arbiter, dat redelijkerwijs aangenomen mocht worden dat die delen van de drinkwaterinstallatie aan putcorrosie onderhevig waren als gevolg van tekortkomingen van de aannemer.

Hij zal daarmee wel de onderaannemer bedoeld hebben want even later zegt hij, dat de oorzaken van de lekkages in “de risicosfeer van de aannemer” lagen. En dat was juist wat er juridisch gezien aan de hand was: voor de fouten, die de loodgieter bij de aanleg van het leidingnet had gemaakt, was de hoofdaannemer aansprakelijk omdat die als zijn opdrachtgever verantwoordelijk was voor de fouten die in de onderaanneming gemaakt werden.

Een en ander betekende wel, dat de loodgieter het bouwbedrijf moest vrijwaren. Dat vond ook de arbiter, die hem daartoe veroordeelde, zodat niet de aannemer uiteindelijk moest opdraaien voor de herstelkosten aan de waterleiding, maar hij die bij de aanleg ervan kennelijk wat uitvoeringsfoutjes had gemaakt. En zo hoort het ook te zijn.

(BR 1995 p. 614)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels