nieuws

Eigenaren tankstations doen te weinig aan schoonmaken bodem

bouwbreed

Eigenaren van tankstations doen nog te weinig om de vervuiling in hun terrein op te ruimen en het station vervolgens in te richten volgens de geldende milieu-eisen. Dat concludeert de Inspectie Milieuhygiene van VROM na onderzoek onder 76 tankstations.

Voor 1 maart 1994 moesten de bedrijven waar zich de grootste kans op milieuschade voordoet het werkprogramma uitvoeren. De bedrijven begonnen evenwel te laat met de voorbereidingen voor het bodemonderzoek. De controlerende instanties zagen daarbij te weinig op de voortgang van de werken toe.

Benzinestations kampen met milieuproblemen als bodem- en grondwaterverontreiniging door motorbrandstoffen, luchtverontreiniging door vluchtige koolwaterstoffen, brand- en explosiegevaar en geluidhinder. VROM, de branche-organisaties, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg stelden om die redenen in september 1991 ter oplossing een werkprogramma op. Dat kreeg op 1 maart 1994 een wettelijke status toen het Besluit tankstations milieubeheer in werking trad. De bijbehorende werken voorzien in het verrichten van bodemonderzoeken, het opstellen van een saneringsplan, uitvoeren van de bodemsanering en in de herinrichting van het tankstation. De bedrijven die onder hoogste risicoklassen I en II vallen moesten de laatste fase voor 1 maart 1994 afronden. In juli 1999 moeten alle Nederlandse tankstations zijn gesaneerd en heringericht.

Matig

Aan de eis om onderzoeken te verrichten naar de bodemgesteldheid wordt redelijk tot goed voldaan. De eerste stap is vrijwel overal genomen. Aan de eis die het opstellen van een saneringsplan voorschrijft is matig voldaan. Ongeveer een vijfde van de benzinetankstations heeft nog geen saneringsplan of is nog bezig met het opstellen van een saneringsplan. Fase drie van het werkprogramma is onvoldoende uitgevoerd. Tijdens het onderzoek in de periode oktober 1994 – januari 1995 blijkt dat slechts de helft van het aantal bodemsaneringen is voltooid. Tweederde van de niet-gesaneerde bedrijven is nog bezig of gaat beginnen met saneren. Tijdens de herinrichting van het bedrijf moeten de preventieve voorzieningen worden aangebracht om toekomstige bodemverontreiniging te voorkomen. Dit houdt het aanbrengen van een vloeistofdichte verharding, bodembescherming bij het vulpunt en controle van het grondwater in. Uit het onderzoek blijkt dat 28 van de 76 onderzochte stations (37%) alle verplichte voorzieningen voor bodembescherming hebben aangebracht. Veertien stations voldoen aan geen enkele verplichte voorziening.

Uit het onderzoek van de Inspectie Milieuhygiene blijkt dat het bevoegd gezag onvoldoende toeziet op de uitvoering van het werkprogramma bij de bedrijven. Volgens dit programma moesten alle tankstations via vooraanmeldingen aan het bevoegd gezag dat in de meeste gevallen de gemeente was in klassen worden ingedeeld. Criterium hiervoor is het mogelijke milieurisico van het tankstation. Het gaat dan voornamelijk om de kwaliteit van de opslag van de tanks. Nederland telt 4864 meldingsplichtige tankstations waarvan 4307 vooraanmeldingen zijn ontvangen. Hiervan vallen 218 tankstations in klasse I of II waarvan 76 stations onderzocht zijn.

De Inspectie raadt ter verbetering aan stappenplannen te ontwikkelen waarin per fase doorlooptijden staan. Te denken valt verder aan een hoger tempo bij het beoordelen van bodemonderzoeken en saneringsplannen. Een andere verbetering betreft de ontwikkeling van werkbare voortgangscontroles voor gemeenten. Voorts dient er een werklijst voor de herinrichting te komen.

Gebrek

De Stichting Uitvoering Bodemsanering en Amovering Tankstations (SUBAT) zegt in een reactie de conclusies van de Inspectie niet goed te ke onderschrijven. De organisatie meent dat de werken die de Algemene Maatregel van Bestuur Tankstations voorschrijft binnen de gestelde tijd tot afronding zullen komen. Naar de SUBAT weet liggen de poen vooralsnog goed op schema. Het bericht van de Inspectie eindigt met de situatie zoals die begin dit jaar was. Op dat moment lag de uitvoering nog niet zo goed op schema. De oorzaak daarvan ligt volgens de SUBAT aan het gebrek aan en de duidelijkheid over de wetgeving. Zo is het bevoegd gezag pas op 1 januari daadwerkelijk bevoegd geworden. Daarbij werd de maatregel pas op 1 maart 1994 rechtsgeldig zodat er ruim driekwart jaar later toen het onderzoek begon nog geen opzienbarende resultaten mochten worden verwacht.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels