nieuws

Bouw van onderwijsgebouwen

bouwbreed

Tussen 1970 en 1994 is het bedrag aan bouwvergunningen voor nieuwe onderwijsgebouwen gehalveerd. Omdat het totaal aantal leerlingen nagenoeg gelijk bleef, is ook het gemiddelde bedrag per leerling flink gedaald. De verschillen tussen de ontwikkelingen in lager, middelbaar en hoger onderwijs zijn echter groot.

In 1970 was de waarde van de verleende bouwvergunningen voor de nieuwbouw van scholen volgens het CBS f. 1282 miljoen (prijzen 1980, ex. btw). Daarmee omvatte de scholenbouw 6% van de totale nieuwbouw. Gedurende enkele jaren bleef de inspanning op dit gebied rond dit niveau flucturen, om na 1976 echter snel te dalen. Het dieptepunt werd bereikt in 1988 met een bedrag van f. 371 miljoen (alles in prijzen 1980), dat was nog maar 1,8% van de totale nieuwbouw. Daarna trad er een licht herstel op tot bedragen rond f. 500 miljoen, ruim 2,5% van de totale nieuwbouw.

Het aantal leerlingen was in 1970 in het basisonderwijs met ruim twee miljoen ongeveer het dubbele van dat in het middelbaar onderwijs. Terwijl het aantal leerlingen in het basisonderwijs gestaag afnam, steeg dat in het middelbaar onderwijs, zodat de laatste tien jaar deze aantallen elkaar nog maar weinig ontlopen. De kinderen die naar het hoger onderwijs doorstromen, nemen geleidelijk in aantal toe, tot een kleine 0,4 miljoen in 1994, een ruime verdubbeling ten opzichte van 1970.

De nieuwbouw voor de drie onderwijsniveaus heeft zich verschillend ontwikkeld. In het lager onderwijs was in de jaren zeventig sprake van nagenoeg gelijkblijvende bouwcijfers. Na 1979 dalen de bouwinspanningen echter aanzienlijk sterker ( – 74%) dan het aantal leerlingen ( – 24%). Ook in het middelbaar onderwijs blijven bouwsommen en aantallen leerlingen de eerste jaren redelijk met elkaar in evenwicht. maar vanaf 1978 lopen de ontwikkelingen uiteen. Terwijl het aantal leerlingen tot 1986 blijft stijgen, neemt de bouwsom met meer dan een kwart af. Pas in 1990 treedt weer een licht herstel op om de opgelopen achterstand in de huisvesting te verminderen. In het hoger onderwijs is het aantal leerlingen, zoals gezegd, voortdurend gestegen, maar de bouwsom is tussen 1970 en 1977 met in totaal 80% gedaald, om daarna ongeveer constant te blijven. Ook hier treedt pas in 1990 een lichte stijging op.

Bedrag per leerling

Over de hele periode 1970-1994 bedroeg de waarde van nieuwbouwvergunningen gemiddeld f. 212 per leerling. In het lager onderwijs was dat f. 206 per leerling, in het middelbaar f. 173 en in het hoger onderwijs f. 408 (nog steeds in prijzen 1980). Daarbij is sprake van een voortdurende daling. In de jaren zeventig bedroeg het gemiddelde f. 291 per leerling, in de jaren tachtig f. 153 en in de eerste helft van de jaren negentig f. 163.

De overeenkomstige cijfers voor de onderscheiden onderwijsniveaus waren voor het lager onderwijs respectievelijk f. 286, f. 156 en f. 106 per leerling; voor het middelbaar onderwijs f. 243, f. 124 en f. 147 per leerling en voor het hoger onderwijs f. 591, f. 264 en f. 422 per leerling. Daarmee is het gemiddelde bedrag per leerling in de jaren negentig ten opzichte van de jaren zeventig gedaald met 63% in het basisonderwijs, met 40% in het middelbaar en met 29% in het hoger onderwijs.

Nu kan huisvesting worden verbeterd door nieuwbouw maar ook door verbouwingen. Het zou dus ke zijn, dat de huisvestingsbehoeften in het onderwijs steeds meer door verbouwingen dan door nieuwbouw zijn verzorgd. Uit de beschikbare cijfers blijkt echter zonneklaar, dat dat niet het geval is. Gemiddeld over de jaren 1985-1994 bedraagt het volume aan bouwvergunningen voor herstel en verbouw slechts 14% van het totaal voor de sector onderwijs. Na 1988 blijft dit aandeel vrijwel steeds onder dit gemiddelde. Tegenover een bedrag per leerling voor nieuwbouw in deze periode van f. 152, staat slechts f. 25 per leerling voor verbouwingen. In het lager en het middelbaar onderwijs is dat met f. 18 resp. f. 12 per leerling nog beduidend lager; alleen het hoger onderwijs geniet wat ingrijpender of frequenter verbouwingen ( f. 97 per leerling).

Grote steden

De vier grote steden hebben gemiddeld over de laatste tien jaar 14,7% van het aantal leerlingen en gebruiken 20,4% van de totale bouwsom. Dit hogere cijfer wordt vooral veroorzaakt door het grotere aandeel van het hoger onderwijs in deze steden. De bedragen per leerling zijn dan ook belangrijk hoger dan de landelijke gemiddelden. Tegenover een landelijk gemiddelde bouwsom per leerling over het afgelopen decennium van f. 177, waarvan nieuwbouw f. 152 en verbouwingen f. 25, staan in de grote steden gemiddelden per leerling van f. 246, resp. f. 184 en f. 62.

Merkwaardig is, dat de gemiddelden per leerling voor zowel het middelbaar als het hoger onderwijs in de nieuwbouw lager zijn dan landelijk, nl. f. 110 t/o f. 129 resp. f. 283 t/o f. 345. In het lager onderwijs wordt echter in de nieuwbouw f. 174 per leerling verspijkerd, tegenover f. 125 landelijk. Voor verbouwingen zijn in alle drie de onderwijsniveaus hogere bedragen per leerling nodig.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels