nieuws

Luchtkwaliteit van Europese kantoren onder de maat

bouwbreed

De vloerbedekking, de wandafwerking, het ventilatiesysteem en de printer hebben een grotere invloed op de kwaliteit van de lucht in kantoorgebouwen dan de werknemers. Ventilatierichtlijnen zouden zich dus eigenlijk ook vooral moeten richten op de systemen en de inrichtingsmaterialen en veel minder op de aanwezige personen.

Dat is een van de conclusies van dr.ir. Philomena M. Bluyssen van TNO Bouw, die als coordinator optrad van een Europees onderzoek naar een algemeen geaccepteerde methode voor het meten van de binnenluchtkwaliteit in kantoorgebouwen.

Het onderzoek werd uitgevoerd door zestien onderzoekinstituten in elf landen (Nederland, Denemarken, Frankrijk, Belgie,. Engeland, Griekenland, Zwitserland, Finland, Noorwegen, Portugal en Duitsland).

De helft van het totale onderzoeksbudget van 1,6 miljoen Ecu was voor rekening van het Europese onderzoekprogramma Joule. Het Nederlandse deel van het onderzoek werd verder gefinancierd door het Ministerie van VROM en de Nederlandse onderneming voor Energie en Milieu (Novem). Het is de eerste maal dat de luchtkwaliteit in kantoren in zoveel landen op eenzelfde manier is beoordeeld.

In negen van de elf landen werden in totaal 56 kantoorgebouwen geselecteerd, waar de luchtkwaliteit op vijf verschillende plekken werd gemeten tijdens de normale bezetting en ventilatie.

Tijdens het onderzoek, dat eind 1992 begon, werd allereerst een handboek samengesteld waarin zo gedetailleerd mogelijk werd beschreven op welke, uniforme wijze in een dag de luchtkwaliteit in gebouwen kan worden gemeten. Daarvoor zijn diverse instrumenten naast elkaar ingezet.

Naast fysische en chemische metingen naar de ventilatiestromen en de gehalten aan bijvoorbeeld CO, CO2 en vluchtige organische stoffen in de lucht, werd een enquete gehouden onder de werknemers in de gebouwen om hun klachten en symptomen te inventariseren. Aan de hand van een checklist werden de gebouweigenschappen verzameld, terwijl ook het energiegebruik en de weercondities werden geregistreerd.

Panel

Voor het eerst werd op Europese schaal ook gebruik gemaakt van zogenaamde sensorische panels. Die bestaan uit mensen die erop zijn getraind de kwaliteit van de lucht te meten met hun neus en vervolgens uit te drukken in een aantal decipols. De decipol is een waarde die de mate van tevredenheid over de luchtkwaliteit weergeeft. In de 56 kantoren werd een gemiddelde waarde van 6 decipol genoteerd, volgens Bluyssen tweemaal zo hoog als de gewenste waarde. In de zes Nederlandse kantoren bleek de luchtkwaliteit beter dan gemiddeld: daar werden waarden tussen 3 en 4 decipol genoteerd.

Uit de gehouden enquetes bleek ook ontevredenheid bij de werknemers.

Dertig procent van de ondervraagden was niet tevreden met de luchtkwaliteit. Dat uitte zich onder meer in klachten als droge ogen, een droge keel, hoofdpijn en moeheid. Daarbij deden de werknemers in de Nederlandse kantoren niet onder voor hun collega’s in andere Europese landen.

In het algemeen is de kwaliteit van de binnenlucht in kantoren dus beneden de maat.

Uit het onderzoek blijkt dat globaal een derde van de verontreinigingen afkomstig is van de ventilatiesystemen en zestig procent van de gebruikte materialen in de kantoren. Slechts een klein percentage is afkomstig van buiten of wordt veroorzaakt door de aanwezige personen.

In veel gevallen gaat het volgens Bluyssen om verontreinigingen die wel te ruiken zijn, maar met meetinstrumenten niet te meten.

Als voorbeelden zijn te noemen de verontreiniging door de filters van ventilatiesystemen die niet op tijd zijn vervangen waardoor schimmelgroei kan ontstaan, het roken door werknemers en de toegepaste materialen zoals taptijten.

Een van de conclusies die uit het onderzoek kan worden getrokken is volgens Bluyssen dat mensen lang niet de enige bron van verontreiniging zijn in kantoorgebouwen, terwijl daarvan in de ventilatierichtlijnen nog wel wordt uitgegaan.

Metingen

Bovendien blijkt uit de metingen dat de ventilatie meestal wel voldoende is. Meer ventilatie is dus geen remedie voor een betere luchtkwaliteit, zeker nu is gebleken dat de ventilatiesystemen zelf een van de grote vervuilingsbronnen zijn. Volgens Bluyssen moet een oplossing veel eerder worden gezocht in het aanpakken van de bron. Zij wil een soort label ontwikkelen, dat aangeeft in welke mate een bepaald materiaal bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Op het ogenblik loopt dan ook een vervolgonderzoek dat tot doel heeft een database voor bouw- en inrichtingsmaterialen en een model voor de voorspelling van de luchtkwaliteit te ontwikkelen. Opdrachtgevers en ontwerpers ke dan bij de inrichting van een gebouw kiezen voor de materialen met het minste verontreinigende effect. Het resultaat van dit onderzoek wordt eind 1996 verwacht.

TNO Bouw heeft verder een aanvraag ingediend voor onderzoek naar ‘smart control’ van ventilatiesystemen, zodat het onderhoud gestructureerder kan plaatsvinden. Op het ogenblik doet TNO Bouw overigens al onderzoek naar de invloed op de binnenluchtkwaliteit van geimpregneerde filters in vergelijking tot traditionele filters.

TNO Bouw beschikt over een zogenaamde nul-decipolkamer, waarin panels worden getraind om met hun neus de luchtkwaliteit te meten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels