nieuws

Interne kwaliteitszorg blijft zorgelijk bij opdrachtgevers

bouwbreed

Opdrachtgevers hebben nog geen goed beeld van wat kwaliteitsborging door de aannemer voor hen kan betekenen. Directievoerders in dienst van zowel opdrachtgevers als ingenieursbureaus zijn nog niet ingespeeld op de veranderende situatie die kwaliteitszorg bij de aannemer met zich mee brengt. Aannemers denken niet aan het interne nut van kwaliteitszorg en gaan pas daaraan doen als opdrachtgevers een certificaat vragen.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoeksrapport ‘Kwaliteitszorg in de Nederlandse Grond-, Water- en wegenbouwsector en in de Nederlandse Groenvoorzieningssector’. Het onderzoek is uitgevoerd door Organisatie Adviesburo Kloosterman BV uit Hengelo en is ondersteund door de branche-organisaties: NVWB (Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers), VAGWW (Vereniging van Aannemers in de Grond-, Water- en Wegenbouw), en VHG (Nederlandse Vereniging van Hoveniers en Groenvoorzieners).

Aanleiding tot uitvoeren van het onderzoek is de wens de problematiek van het verantwoord verwerken van het begrip kwaliteit in het UAR 1986 en de UAR EG 1991. Dat kwaliteitszorg een nuttige rol kan spelen bij aanbesteding en gunning is duidelijk. De vertaling naar deze reglementen is echter nog moeilijk. Om de nodige vertaalslagen te maken is het van essentieel belang dat partijen precies van elkaar wegen wat wordt verlangd. Dat kan alleen door het partijen te vragen en de resultaten vast te leggen.

In het onderzoek zijn de vragen die de verschillende partijen beantwoord wilden zien onder verdeeld in vragen die spelen bij: opdrachtgevers, directievoerders en opdrachtnemers. Belangrijke vraag bij deze drie categorieen is hoeverre men zelf eigenlijk is met kwaliteitszorg. Om dat te achterhalen is informatie ingewonnen bij grote opdrachtgevers zoals Rijkswaterstaat, gemeenten, NS en PTT. Bij de directievoerders zijn leden van ONRI en NVTL benaderd. Bij de opdrachtnemers zijn leden van de NVWB, VAGWW en VHG ondervraagd. Er zijn gegevens verzameld door middel van enquetes, telefonische interviews en persoonlijke diepte-interviews. Het onderzoek is uitgevoerd door M.A. Hagen, afstudeerder aan de Faculteit Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen en voor de duur van het onderzoek in dienst van Organisatie Adviesburo Kloosterman BV.

Nog niet op orde

Opdrachtgevers zijn nog niet zover dat ze de eigen interne processen zover op orde hebben dat ze aan de ISO-9000 normen voldoen, stelt onderzoeker Van Hagen vast. Dit terwijl ze die eisen wel aan de aannemer stellen. Bij veel opdrachtgevers bevindt de ‘interne kwaliteitsgedachte’ zich nog maar in de fase van orientering. Over de rol die kwaliteitszorg in het aanbestedingsbeleid moet krijgen is door weinigen iets vastgelegd. Duidelijk is wel dat het hebben van een (gecertificeerd) kwaliteitssysteem een geschiktheidseis zal worden en nooit een gunningscriterium zal mogen zijn.

Toezichthouders

De rol van het toezicht moet veranderen met de rol die aan kwaliteitszorg wordt toebedeeld. Rijkswaterstaat en sommige gemeenten zeggen te werken aan een andere manier van toezichthouden. De toezichthouders wordt inzicht in de factoren die de kwaliteit van het werk bepalen bijgebracht, althans voor zover nog niet bij deze mensen aanwezig. Zij zijn daardoor in staat de systematiek die de aannemer bij zijn kwaliteitszorg hanteert te beoordelen. “Helaas is op dit moment van deze gewenste situatie nog niet veel zichtbaar”, aldus Van Hagen.

Bij een groot aantal aannemers ziet men niet in kwaliteitszorg geen interne voordelen. Het is vooral bij kleinere bedrijven dat deze mening heerst. Reden zou ke zijn dat de ‘coachende’ functie van toezichthouders ‘oude stijl’ deze bedrijven voor verspilling behoedt. Bij invoeren van een kwaliteitssysteem laat het merendeel van de bedrijven zich adviseren door een extern bureau. Aannemers in de gww- en Groenvoorzieningensector vinden het van groot belang dat adviseurs ervaring hebben in het begeleiden van bedrijven in de sector. De aanpak kan dan gericht zijn op de praktijk en niet te ‘academisch’.

Bij de meeste bureaus die zich bezighouden met directievoeren wordt geaarzeld met het invoeren van een kwaliteitssysteem. Dat komt omdat men vindt dat de huidige systemen de artistieke vrijheid van de bureaus, die ook een belangrijke ontwerptaak hebben, te veel zou beknotten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels