nieuws

Goede introductie tot landschapsontwerp

bouwbreed

In het hierboven staande verhaal over civiele kunst stel ik dat de toekomst is aan de landschapsarchitecten. Zij moeten, samen met civiel ingenieurs, de grote ommekeer in de verhouding tussen stad en land vormgeven. Gezien de toenemende belangstelling voor deze discipline is het nuttig dat het overzichtswerk ‘Buitenruimten – ontwerpen van tuin- en landschapsarchitecten in de periode na 1945’ is herdrukt.

Deze door de beroepsvereniging NVTL zelf samengestelde Nederlands/Engelse introductie is meer dan een verkoopcatalogus van eigen plannetjes. Met een selectie van veertig kwalitatief hoogstaande plannen, van minieme tuintjes tot een regionaal plan voor Noord-Brabant, uit verschillende na-oorlogse periodes, wordt een goed overzicht geboden van de ontwikkeling van het jonge vak. Jammer is alleen dat de huidige stand van zaken wat minder uit de verf komt.

De inleidende essays schetsen de contouren van het vak en de ‘modes’ in de ontwerpen sinds 1945. Aspecten van het ontwerpen (waarneming, ruimtelijke compositie en dergelijke) worden op een rijtje gezet tegen de achtergrond van de essentiele tegenstelling tussen cultuur en natuur, en daarbinnen tussen cultuurbehoud en cultuurvernieuwing. Gesignaleerd wordt een verwetenschappelijking van het vak, dat eerst volgend was en nu steeds meer sturend.

Nog tot aan de jaren tachtig kwam de landschapsarchitect pas in beeld als de civiel ingenieurs hun lijnen (van een ruilverkaveling of rijksweg) hadden getrokken. Het groen was stoffering om de ingrepen in te passen.

Het gedocumenteerde regionale ontwerp voor Noord-Brabant is een van de eerste plannen waarin het landschapsontwerp niet meer in het defensief zit. In dit plan wordt onderscheid gemaakt tussen natuur (ecologie) en landschap. Het landschap omvat feitelijk alles, het is de resultante van ecologische, economische en esthetische factoren. In dit plan gaat het niet meer om het bereiken van een vooraf bepaald beeld. Het is dynamischer: een raamwerk waarbinnen uiteenlopende ontwikkelingen hun beslag ke krijgen. Dat de landschapsarchitect vanzelfsprekend de ecologie in de planvorming betrekt, geeft deze een voorsprong op de van oudsher functionalistischer gerichte stedebouwers en planologen.

Als voorbeeld van de verwetenschappelijking is het belangrijke prijsvraagontwerp ‘Paradox’ opgenomen. Dit inrichtingsplan voor natuur en recreatie in de Markerwaard was in 1984 een van de eerste tekens dat er een nieuwe wind ging waaien van minder op het beeld en het sentiment gerichte ontwerpers.

Van een van de belangrijkste jonge ontwerpers, Adriaan Geuze met zijn Rotterdamse bureau West 8 die kortgeleden nog is onderscheiden met de Rotterdam-Maaskantprijs voor jonge architecten, zijn een paar kleinere plannetjes opgenomen. De vernieuwing waar hij voor staat, komt niet echt uit de verf. Ten onrechte worden uiteenlopende nieuwe tendensen benoemd als “postmodernisme”, wat teveel suggereert dat het om een overwaaiende mode zou gaan van louter vormpjes.

Belangwekkend in het werk van de nieuwste generatie is de structurele benadering van de ontwerpopgave. Het is bij uitstek die vaardigheid in combinatie met de veelomvattende ecologische kennis, die de landschapsontwerpers kan maken tot de avant-garde voor de herinrichting van Nederland.

Tom Maas

M.J. Vroom: ‘Buitenruimten – ontwerpen van tuin- en landschapsarchitecten na 1945’ (Ned./Engels). Uitg.: Thoth (2e druk 1995); 208 pag, 29×24 cm; f. 69,50. ISBN 90-6868-048- X.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels