nieuws

VNO-NCW voorzitter Rinnooy Kan: ‘Bouw ondervindt problemen op interne Europese markt’

bouwbreed

Bij openbare aanbestedingen worden Nederlandse aannemers in andere landen van de Europese Unie veelvuldig geconfronteerd met hinderlijke administratieve voorschriften zodat het moeilijk wordt op een aanbesteding in te schrijven. Zo klaagde werkgeversvoorzitter dr. A.H.G. Rinnooy Kan (VNO-NCW) tijdens een persgesprek naar aanleiding van de komende herziening (in 1996) van het Verdrag van Maastricht.

“Binnen de Europese Unie is mede als gevolg van de economische recessie de tendens waar te nemen, dat EU-lidstaten steeds duidelijker nationale belangen boven gemeenschappelijke belangen stellen en zich steeds vaker beroepen op de nationale soevereiniteit” aldus Rinnooy Kan. Hij noemde het Verdrag van Maastricht een fundamentele stap in het proces van Europese integratie, maar ziet de komende herziening van het verdrag in een aanmerkelijk minder pro-Europees klimaat plaatshebben. De meeste politici richten hun aandacht volgens hem in de eerste plaats op het oplossen van het veiligheidsprobleem en niet op de vergroting van de Europese markt.

De vereniging VNO-NCW beziet deze ontwikkelingen niet zonder zorgen. Rinnooy Kan: “Met nadruk willen wij de aandacht vragen voor het belang van vervolmaking en verdere uitbreiding van de interne markt. Bijzondere aandacht voor de economische component van de Europese integratie is gerechtvaardigd omdat het concurrentievermogen van Europa een serieus probleem is geworden. De EU-lidstaten ke dit probleem niet op eigen houtje oplossen, maar zijn aangewezen op elkaar en op de interne markt.”

Obstakels

Pas nu begint men een duidelijk beeld te krijgen van de effecten die al het werk in Brussel hebben op (het concurrentievermogen van) ondernemingen in heel Europa. Positieve, maar ook negatieve effecten die soms vragen om aanvulling of aanpassing van de regels.

Het is om die reden dat de Vereniging VNO-NCW sinds medio vorig jaar in een aantal sectoren onderzoek doet naar de ervaringen van ondernemingen op de interne markt. In november 1994 werden de eerste resultaten van het onderzoek gepresenteerd. De industriele sector stond daarbij centraal. Ondernemingen blijken nog regelmatig met exportbelemmerende obstakels te worden geconfronteerd. Het gaat daarbij om technische handelsbelemmeringen omdat de EU-landen verschillende produktvoorschriften of produktnormen hanteren. De uitvoer wordt hierdoor gehinderd of zelfs geheel onmogelijk gemaakt.

In het tweede deel van het onderzoek staat de dienstensector centraal: in het bijzonder transport, bouwnijverheid, banken en verzekeringen. De 60 diepte-interviews die zijn gevoerd, geven een goed beeld van de positieve en negatieve aspecten van de interne markt. Er zijn interessante voorbeelden boven water gekomen van praktische problemen die de geinterviewden op de interne markt ondervinden. Het onderzoeksrapport zal dezer dagen verschijnen.

Daarin staat dat alle respondenten overtuigd zijn van de voordelen van de interne markt. Het is essentieel voor veel Nederlandse ondernemingen om over een grote thuismarkt met uniforme regels te ke beschikken. Regels die voldoende afdwingbaar en controleerbaar moeten zijn.

Correct toepassen

Met name de aannemers en transporteurs bevestigen dat het streven naar een grenzeloze binnenmarkt in Europa reeds vele voordelen heeft opgeleverd. Door vermindering van de douaneformaliteiten en grenscontrole konden belangrijke kostenbesparingen worden gerealiseerd.

De Europese regels moeten correct worden toegepast in alle EU-landen. Dat dit nog steeds niet geheel het geval is, wordt door het onderzoek bevestigd. In totaal loopt meer dan 40 procent van de respondenten nog steeds tegen problemen op; een zorgwekkend feit. Dat is nadelig voor de onderneming, maar ook voor de Europese Unie. Het tast het geloof in de dynamiek van een ongedeelde Europese Unie aan. Zij vinden dan ook dat de interne markt dient te zorgen voor een ‘level playing field’ waarop het gezegde ‘gelijke monniken gelijke kappen’ van toepassing is, aldus Rinnooy Kan.

Eurovignet

Belemmeringen die worden genoemd hebben onder meer betrekking op niet-tijdige of verschillende implementatie van Europese regelgeving. Binnen de transportsector is sprake van ergernis rondom de invoering van de snelheidsbegrenzer en het Eurovignet.

Het Eurovignet is een houderschapsbelasting; of je nu veel of weinig rijdt, iedereen betaalt hetzelfde voor dit vignet. Bovendien bestaat veel onduidelijkheid over de plaats waar men het Eurovignet kan verkrijgen. Voorts zijn er problemen met de nationale wetgeving van EU-landen die verder reikt dan de geharmoniseerde (communautaire) rechtsregels.

Ondanks het bestaan van een Europese richtlijn op het gebied van rij- en rusttijden gaat men in Nederland uit van de diensttijd, terwijl in de meeste andere EU-landen wordt uitgegaan van de rijtijd. Het Nederlandse rijtijdenbesluit is op dit terrein stringenter dan de Europese regelgeving, hetgeen concurrentievervalsing ten opzichte van de buitenlandse transporteurs met zich meebrengt.

Aanbestedingen

Bij openbare aanbestedingen, aldus Rinnooy Kan, komen Nederlandse aannemers in de andere EU-landen veelvuldig allerlei administratieve voorschriften tegen waardoor het moeilijk wordt gemaakt om op een aanbesteding in te schrijven. Bijvoorbeeld in Portugal is bij inschrijving sprake van een enorme papieren rompslomp. Een willekeurige aannemer, zeg maar uit Sittard, heeft een verklaring van de Nederlandse KvK nodig als bewijs dat hij hier geregistreerd staat en het betreffende werk ook kan uitvoeren. Deze verklaring moet hij laten vertalen door een beedigd en door de Portugese ambassade erkende vertaler. Vervolgens moet hij naar Den Haag voor een stempel van deze ambassade. Dergelijke administratieve voorschriften zijn volstrekt overbodig.

Detachering

Voor de bouwsector bestaan nog steeds problemen op het gebied van detachering van personeel in Belgie. Sinds 1 januari 1995 is in Belgie de Sociale Identiteitskaart ingevoerd. Hierdoor moest een Nederlandse bouwonderneming die aan het onderzoek heeft meegedaan, een voorschotbetaling van sociale premies van 25.000 Bfr. per werknemer per maand vooruit per kwartaal voldoen. Dit voorschot wordt gerestitueerd via de Nederlandse diensten indien blijkt dat er in Nederland geen schulden zijn aan de betrokken Belgische instanties. Deze restitutie kan bijna een vol jaar op zich laten wachten. Deze voorschotbetaling is per definitie overbodig aangezien het hier gaat om een gedetacheerde werknemers, waarvoor in Nederland reeds sociale premies worden betaald.

Vage eisen

Problemen bij toepassing van de Europese regelgeving die worden veroorzaakt door verschillende interpretaties of het ontbreken van duidelijke definities komen ook voor.

In de ‘Nieuwe Aanpak’ van technische harmonisatie zijn in richtlijnen essentiele eisen van veiligheid en gezondheid geformuleerd. Deze basiseisen moeten worden ingevuld door Europese geharmoniseerde normen.

Echter, omdat die Europese normen nog niet allemaal zijn opgesteld, is een onderneming nog altijd aangewezen op de essentiele eisen zelf. Die zijn veelal te vaag gesteld. Voorbeeld in de machinerichtlijn: “Het geluidsniveau van de machines dient tot het minimum te worden beperkt.”

Het gevolg is dat er tussen de EU-landen onnodige verschillen in interpretatie blijven bestaan, die ondernemingen in hun export ke belemmeren. Zij ke daardoor niet optimaal profiteren van de mogelijkheden van de interne markt. En dat was nu juist de bedoeling van de ‘Nieuwe Aanpak’.

Ook bouwondernemingen zijn door het bestaan van nationale normen nog steeds genoodzaakt zich met hun produkten te richten op de nationale markt in plaats van op de gehele Europese Unie. De verschillende technische standaarden op nationaal niveau op het gebied van bouwprodukten zijn eigenlijk een voorwaarde voor de export en het gebruik van het produkt in het desbetreffende land.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels