nieuws

Nu eindelijk renovatie van El Museo del Prado

bouwbreed

Het gaat er nu eindelijk toch van komen dat de Spaanse regering geld beschikbaar stelt voor de renovatie van het Prado. Dit belangrijkste museum van Madrid is al lang aan restauratie toe. Voor een bedrag van ongeveer f. 300 miljoen krijgt het 175 jaar oude complex ook nieuwe tentoonstellingsruimten.

De eigenlijke stichting van El Museo del Prado hangt nauw samen met de geschiedenis van Spanje in de 16de, 17de en 18de eeuw. De Spaanse koningen van Philips II (1528-1598) tot Ferdinand VII (1784-1833) verzamelden in hun paleizen kunstwerken van hoge kwaliteit. Vooral de smaak en deskundigheid van Philips II was opmerkelijk.

Hij verwierf werk van Titiaan, Veronese, Tintoretto en El Greco, de moderne geavanceerde schilders uit die dagen, maar ook van Jeroen Bosch, Patimir en Matsys, die de ‘zonderlingen’ werden genoemd. Hij verkreeg die meesterwerken op bestelling, door aankoop, schenking of erf-lating. Zijn kleinzoon Philips IV (1605-1665) bracht werken van Velasquez en Rubens bijeen.

De paleizen van de koningen raakten overvol en reeds Philips IV maakte een plan om een speciaal museum voor deze kunstschatten te stichten. Hij stelde voor ‘een gebouw te stichten voor schilderijen en op zoek te gaan naar grootmeesters in de kunst om uit hun beste schilderijen een keuze te maken.’ Zijn beschermeling Velasquez zei: “Sire, ik wil wel naar Rome en Venetie gaan om daar de beste stukken op te zoeken en te kopen die er te vinden zijn.”

Hij vertrok en na twee jaar kwam hij terug met een lading schilderijen. Koning Karel II bezat bij zijn dood, op 1 november 1700, 5539 schilderijen. Toen werd de bouw van een museum nog urgenter. Dit werd bijna werkelijkheid toen koning Karel III in 1783 een gedeelte van het klooster San Jeronimo el Real in het Prado(park) bestemde voor museum en erbij bepaalde dat daar aangrenzend een nieuw museum gebouwd moest worden.

Hij gaf daartoe opdracht aan de neo-klassieke architect Don Juan de Villanueva (1739-1811), die op 30 mei 1785 zijn plannen gereed had. Maar tegen het eind van de 18de eeuw was de bouw van het Prado nog weinig gevorderd, ten dele misschien door de dood van koning Karel II in 1788. Toen in 1791 bekend werd dat in Parijs in het Louvre een museum werd gesticht, kwam er weer schot in de zaak. Minister Urguyo gaf in 1800 bevel schilderijen van Murillo uit Sevilla naar Madrid te brengen, om zodoende haast te zetten achter de bouw van het Prado-museum.

Napoleons inval in Spanje en de bezetting van de Spaanse troon door Jozef Bonaparte verhaastten het proces en in 1809 decreteerde Urguyo dat het tijd werd voor de afbouw van het nationale schilderijenmuseum. Na het einde van de bevrijdingsoorlog en de terugkeer van Ferdinand VII op de troon werd spoed gezet achter de voltooiing van het Prado.

Op 19 november 1819 opende de koning in eigen persoon dit nationale museum, waarvan de inrichting toen nog beperkt was tot de rotonde op de hoofdverdieping met zijvleugels, verdeeld in drie zalen. De verzameling groeide snel en na zes jaren had het museum belangrijke kunstschatten verworven, grotendeels afkomstig uit de koninklijke paleizen. In 1828 telde de catalogus al bijna duizend schilderijen.

Het Prado is een juweel van neo-klassieke kunst, het visitekaartje van de architect Don Juan de Villanueva. Jammer genoeg zijn de bouwtekeningen na zijn dood in 1811 niet bewaard gebleven. Latere restaurateurs deden dan ook wonderlijke ontdekkingen.

Zo vonden zij in 1930 allerlei verborgen kasten en in 1964 ontdekte men tijdens de reconstructie van de rotonde, verborgen achter de betimmering, een kringvormige ruimte rondom de halve bol met een zware kroonlijst, op het ronde gewelf van de rotonde. Het museum bleef bloeien en groeien ten koste van de koninklijke verzamelingen tot aan de herfst van 1868, toen het met de zege van de revolutie werd genationaliseerd.

Dertig jaar lang hadden de directeuren steeds meer schilderijen verzameld en de catalogus van 1843 bevatte 1833 schilderijen. In 1912 werd het Prado uitgebreid met 24 zalen, die tussen 1917 en 1919 gereed kwamen. Daarop volgde het nieuwe ontwerp voor de grote galerij en de bouw van een centraal trappehuis in 1923 tot 1927. In 1955-1956 werden er twee nieuwe vleugels aangebouwd met een totaal van zestien zalen; in 1963-1964 kwamen er nog zes bij en in 1968 begon men aan een uitbreiding van dezelfde omvang.

Op 15 oktober 1995 komt een internationale jury bijeen om te beslissen over de beste voorstellen voor het Prado van de 21ste eeuw. In mei 1996 maakt de jury de prijswinnaar bekend, waarna de werkzaamheden ke beginnen. De oppervlakte van de expositieruimtes gaat van 29.000 m2 naar 49.000 m2. U ziet, ze gaan in Madrid niet over een nacht ijs!

Behalve dat het museum nu mag uitbreiden, verbouwen en nieuwe mensen, onder wie zo’n twintig restauratiedeskundigen, mag aantrekken, zal het museum met het extra geld ook langer open ke blijven dan tot twee uur ’s middags, zoals nu nog op zondag het geval was. Dit is belangrijk omdat de zondag voor veel Spanjaarden de enige vrije dag is.

Het Prado wordt voor f. 300 miljoen onder handen genomen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels