nieuws

Een beetje hoog is niets,

bouwbreed

Hoogbouw moet niet alleen maar worden gedaan omdat het kan. Technisch gezien kan eigenlijk alles wel. Hoogbouw moet zin hebben. In Europese steden moeten hoge gebouwen worden ingepast in sterke, bestaande stedelijke structuren. Dat kan een probleem zijn. Plannen ke door weerstand vanuit de samenleving niet tot uitvoering komen. Maar omarmen stadsbestuurders eenmaal het beginsel van hoogbouw dan moet daarna niet worden gekibbeld over de hoogte. Dit – en meer – kwam afgelopen week in Amsterdam aan de orde op het Fifth World Congress van de Council on Tall Buildings and Urban Habitat.

Het congres had als thema ‘Habitat and the High-Rise: Tradition and Innovation’. Werd het accent door de Council on Tall Buildings afgelopen jaren gelegd op de habitat, dat is de leefomgeving, deze keer lag dat op meer menselijke aspecten. Een treffend voorbeeld daarvan is de gang van zaken rond de voorgenomen hoogbouw op het ‘Khasana’ terrein in Frankfurt am Main. Op het 8300m2 grote terrein moest een van in totaal drie torens van 200 en 300 meter verrijzen, een plan dat ook bekend staat als het Campanile D-Frankfurt am Main. De wetgeving in de bondsstaat Hessen stelt echter dat niemand een nieuw gebouw bij een bestaand mag bouwen als het zicht uit de ramen van de woonkamer of de keuken van bestaande huizen belemmerd wordt boven een hoek van 45 graden. Tenzij met toestemming van de betrokkenen. In geval van de hoogbouwplannen in Frankfurt was dr. Hannelore M. Kraus een van de negen eigenaren van wie toestemming vereist was. Zij keerde zich met succes tegen de hoogbouwplannen.

Kraus vindt dat hoge gebouwen niet alleen maar monumenten mogen zijn die eer doen aan de individuele talenten van de architect. Hoogbouw moet zin hebben voor de mensen die er moeten wonen en werken in zo’n wolkenkrabber. “Gezond verstand en ethiek is een vereiste om het de mensen naar de zin te maken die moeten leven met de eindprodukten van wat dan vooruitgang moet heten.”

Onopgeloste problemen

Over ruimtelijke ordening en stadsontwerp en hoogbouw waren eensluidende meningen te vernemen. Inpassing in bestaande structuren is daarbij een punt. Zo concludeert Bill Lim van de Queensland University of Technology in Brisbane in Australie dat hoogbouw in stadscentra nog omgeven is met veel niet opgeloste problemen. Hij denkt dat er altijd vraag zal zijn naar hoge gebouwen in stadscentra. Dat blijkt overduidelijk in de recentelijk geindustrialiseerde stadscentra in Zuid-Oost Azie. De ontwikkelingen in architectuur en technologie ke ertoe bijdragen dat hoge gebouwen de functie van de stadscentra versterken. Stadscentra moeten leefplaatsen worden, en niet alleen redelijke werkplekken.

F.W.R. Evers van de Rijksgebouwendienst stelt dat de diverse poen die in Nederland zijn uitgevoerd zeker bijdragen tot revitaliseren van de binnensteden onder meer de poen: nieuwe stadshart in Den Haag, Wilhelminahof in Rotterdam, Grotiusplaats in Den Haag, het gebouw van het ministerie van VROM in Den Haag. De meeste ervan lenen zich in zijn optiek echter minder voor hoogbouw vanwege de problematiek van het inpassen in bestaande bebouwing.

arakter

Peter Ellis van het Engelse Skidmore Owens and Merill ging op het congres in op de Europese aanpak bij het ontwikkelen van hoge gebouwen. Die is specifiek want de grote steden hebben hier elk een eigen unieke historie en karakter. Stadsbesturen moeten zelf besluiten of ze hoge gebouwen willen en hoe deze vervolgens in de bestaande stedelijke structuren in te passen. Dat gaat in Europa vaak gepaard met zwaardere beslissingen dan in bijvoorbeeld Amerika. Er is in Europa meer erfgoed te bewaren. Dat is de oorzaak geweest dat hoogbouw hier nog niet tot in de eigenlijke stadskernen is doorgedrongen. Hoogbouw is in Europa gesitueerd rond de stadskernen.

Architecten en planologen moeten in Europa ter dege rekening houden met de invloed van hoogbouw op de stedelijke omgeving. Als Europese steden hoogbouw willen dan moet dat gaan op een voorzichtige, gecoordineerde wijze. Het gaat niet aan voor een bepaalde plek het beginsel van hoogbouw te omarmen en dan nog te kibbelen over de hoogte. Dat resulteert er onvermijdelijk in dat geleidelijke de hoogste verdiepingen eraf worden gelaten.

Ellis vindt dat een hoog gebouw nu eenmaal hoog moet zijn om te ke inspireren en het meest onbevredigende resultaat is een gebouw dat een beetje hoog is.

raagconstructie

Wordt eenmaal hoogbouw uitgevoerd dan moet gezorgd zijn voor een goed systeem van bouwen. Belangrijk daarbij is de draagconstructie. Zo ook bij het po ‘The Petronas Towers’ dat in Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisie wordt gerealiseerd. Het gaat om twee torens van 450 m hoog. In totaal is 18.500 m2 vloeroppervlakte verdeeld over 85 beschikbare verdiepingen. De torens zullen bij voltooiing het hoogste gebouw van de wereld zijn. De hoofddraagconstructie van de torens bestaat uit een betonnen kern en betonnen buitenkolommen met daartussen de vloeren.

De bouw van de tweeling torens is gegund aan twee aannemers. Zij bouwen ieder een toren. De twee aannemers passen een zelfklimmende bekisting toe voor de wanden van de kern. Voor de buitenkolommen wordt de bekisting met de kraan verplaatst.

Het werk aan de fundering is in mei 1993 begonnen. In februari 1994 volgde de bovenbouw. Het bouwplan voorziet in een cyclus van vier dagen per verdieping. Daarmee kan de draagconstructie na 92 weken gereed zijn, in november dit jaar. Het gehele complex moet in juni 1996 gereed zijn.

In de toegepaste constructieve oplossing zijn de voordelen gecombineerd van de bouwsnelheid van een betonconstructie, de flexibiliteit voor opeenvolgende gebruikers van een staalplaat beton vloersysteem, en de superieure dynamische versnellings respons van een ter plaatse gestort betonnen windverband.

ick Building

Het binnenklimaat van gebouwen zoals de mens dat ervaart is ook bij hoogbouw een punt van zorg. De kwaliteit van de lucht is mede bepalend. Pieter A. Vroon van de universiteit van Utrecht stelt dat door de bank genomen het aantal klachten over Sick Building Syndrome (SBS) toeneemt naar mate de hoeveelheid technologie die in het gebouw is toegepast groter is. Dat is begrijpelijk. Want hoe meer de werkomgeving wordt geregeld en bepaald door technologie, hoe minder medewerkers fysiologisch en geestelijk in staat zijn hun omgeving aan te passen aan hun wensen. Deze situatie leidt tot klachten van zowel objectieve als subjectieve aard. Beide hebben gelijke effecten op de produktiviteit.

Teveel technologie geeft meestal een zo beheerste omgeving dat bij de mens geen variatie in prikkels optreedt. Het licht kan niet worden geregeld, er ke geen ramen open. Dit kan gemakkelijk resulteren in de neiging zelf maar stimuli te creeren in de vorm van lijfelijke prikkels ofwel een gevoel van geestelijk onbehagen.

Dit alles is niet

zuiver subjectief. Bekend is dat

het immuunsysteem van dier-

en bijvoorbeeld minder actief is

als het dier in een omgeving wordt

geplaatst

die het niet zelf

kan beheersen. Er zijn zelfs al gebouwen gemaakt waarbij de ramen open ke en met zonwering daar weer buiten. Vroon vindt dat op het gebied van de luchtkwaliteit in gebouwen in het algemeen wijsheid het te vaak verliest van zuinigheid. Er moet meer gedacht worden op de lange termijn. “Bouw niet zo goedkoop mogelijk”, aldus Vroon.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels