nieuws

Amsterdam High Rise

bouwbreed

De titel van Arcams nieuwste pocket doet de wenkbrauwen fronsen: high-rise komt toch niet voor in Amsterdam? Ze hebben daar nu een gebouw van 135 meter hoog en dat resulteert gelijk in de kritiek dat je dat stompe torentje vanuit alle hoeken van de stad kunt zien. Louis Sullivan beschreef als essentie van hoogbouw dat het “every inch a proud and soaring thing” moest zijn, “rising in sheer exaltation”. Een stad die elke keer wikt of het niet ietsje lager kan, weet dus eenvoudig niet wat hoogbouw betekent.

Een even grote anomalie is dat kortgeleden het ‘world congress of the council on tall buildings and urban habitat’ in Amsterdam is gehouden. Een congres met bezoekers uit alle windstreken naar aanleiding waarvan Arcam het onderhavige boekje heeft gemaakt. Pech voor Arcam was dat de organisatie niet bij wijze van sponsoring het boekje gratis aan de deelnemers wilde uitreiken.

Het is goed dat Arcam ondanks het financiele risico de geschiedenis van het niet-voorkomen van hoogbouw in Amsterdam heeft vastgelegd. Want natuurlijk is het buitengewoon opmerkelijk dat het stadssilhouet van Amsterdam in veel mindere mate dan van vergelijkbare andere steden in binnen- en buitenland is veranderd door hoogbouw. Hoe dat zo kon gebeuren, wordt kort maar goed uit de doeken gedaan.

Hans Ibelings geeft een schets van de plannen die sinds begin deze eeuw trots zo hoog mogelijk wilden lijken. Meestal geen torens maar bouwblokken van hoogstens enkele tientallen meters. Slechts in hun fantasie leefden architecten zich uit, zoals de Amsterdamse School-architect Van Epen in 1926 met een organisch-achtige Stadtkrone of Van Eesteren met een doos aan het Rokin.

Tot aan de oorlog was Staals wolkenkrabber in Zuid de enige echte toren – twaalf verdiepingen hoog. Het is niet Ibelings conclusie, maar wellicht zou je ke zeggen dat de vorm van Amsterdam zo sterk was, dat bijna vanzelf elke poging tot onderscheid, tot erbovenuit steken of anderszins opvallen gesmoord werd. De stad toonde in ieder grote weerbarstigheid bij het incorporeren van dergelijke Fremkorper.

Ibelings verhaal eindigt begin jaren tachtig met OMA’s plan voor het IJplein, met de beslissing om daar geen torentjes maar laagbouw neer te zetten.

In het volgende relaas van Maarten Kloos en Birgitte de Maar wordt de recentste geschiedenis uit de doeken gedaan. Daarin valt vooral op hoe willekeurig sindsdien hoge gebouwen aan de randen van de stad zijn verschenen. Meestal holde de gemeente achter de feiten aan of liet ze op hun beloop. Het eerste gold voor de (nog) niet gebouwde Larmag-toren bij Sloterdijk die de gemeente moest toestaan in ruil voor een noodzakelijk lapje grond van de poontwikkelaar; het tweede geldt mogelijk voor de Rembrandt-toren, die zonder slag en stoot er ‘ineens’ stond.

De recente geschiedenis biedt het beeld van een gemeente die, als zij net de ene oprisping onder controle denkt te hebben elders ineens weer iets omhoog ziet schieten. Het steeds intensiever grondgebruik is een niet te stuiten ontwikkeling, zij het dat het centrum nog steeds redelijk gespaard blijft.

De vraag is voor hoe lang. In zijn bijdrage over funderingstechniek en andere technische aspecten toont constructeur George Henkens aan dat, ondanks Amsterdams zompige ondergrond, er technisch geen enkele reden is om niet heel hoog te gaan. Zijn overzicht van bouw- en funderingstechnieken completeert dit aardige tijdsbeeld.

M. Kloos (red.): “Amsterdam High-Rise”. Uitg.: Architectura en Natura; 128 pag, 18×11 cm; f. 24,50.

ISBN 90 71570 60 6.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels