nieuws

Kans op werkloosheid in bouw weer flink groter geworden

bouwbreed

De kans voor werknemers in de bouw om met werkloosheid geconfronteerd te worden is na een jarenlange daling sinds 1987, vorig jaar weer flink groter geworden.

Dit blijkt uit een onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB). Voor timmerlieden is de situatie beter dan de rest. En de gww-sector geeft veel meer risico tot werkloosheid dan de b en u.

In het najaar van 1994 heeft het EIB aan ruim duizend bouwvakkers een aantal vragen voorgelegd over hun arbeidsmarktpositie. Een onderzoek, dat ook in de vijftien voorafgaande jaren werd uitgevoerd. Daardoor ke betrouwbare vergelijkingen worden gemaakt tussen de uitkomsten van de enquetes.

Volgens het EIB zijn bouwvakkers sinds vorig jaar weer minder zeker van hun arbeidsmarktpositie. Er is een veel grotere kans op werkloosheid dan de jaren ervoor: “In 1987 was 17 procent van de werkenden werkloos geweest of was dat nog ten tijde van de ondervraging. In 1988 was dat gedaald tot 13 procent en in 1992 was het percentage nog geen 10. Maar in 1993 is het gestegen naar ruim 12 procent. En vorig jaar nam het percentage toe tot 15.”

Afwijking

De timmerlieden wijken volgens het EIB met 10 procent sterk af van de andere beroepsgroepen in de bouw, waar dit percentage ruim boven de 10 ligt. Ook de werkenden in de grond-, weg- en waterbouw kennen met 26 procent een “verhoudingsgewijs veel grotere kans op werkloosheid dan hun collega’s in de burgerlijke en utiliteitsbouw”.

Regionaal bezien blijft de kans op werkloosheid in de noordelijke regio van ons land het grootst. “Het verschil tussen de regio Noord – met 22 procent – en de regio West – met 8 procent – blijft erg groot”, constateert het EIB.

Kwaliteit arbeid

Over de kwaliteit van het werk -en dan vooral de veiligheid en gezondheid- zijn de werknemers minder positief geworden. Een iets kleiner percentage noemde de arbeidsomstandigheden goed: 73 procent in 1993 tegen 70 procent in 1994.

Het minst positief over de arbeidsomstandigheden zijn de metselaars. Van deze beroepsgroep kwalificeert 37 procent de arbeidsomstandigheden “minder goed of slecht”. Vergeleken met het jaar ervoor is dat percentage volgens het EIB toegenomen.

In 1993 waren de werkenden in het onderhoud en de verbouw van woningen iets positiever over de arbeidsomstandigheden dan hun collega’s die werkzaam waren in de nieuwbouw van woningen. Maar vorig jaar signaleert het EIB geen verschil meer.

Een opmerkelijke verandering constateert het EIB tenslotte ten aanzien van de arbeidsinhoud: “Het percentage werkenden dat zegt dat zijn werk een hoge mate van vakbekwaamheid vergt, improvisatietalent vereist, veel eigen initiatief vraagt, verantwoordelijk werk is en ruimte biedt om zelf beslissingen te nemen is sterk toegenomen.”

Deze ontwikkeling is volgens het EIB bij alle beroepsgroepen – ook de minder geschoolden – waar te nemen. “Minder geschoolden zeggen ook in toenemende mate dat hun werk ingewikkeld te noemen is en dat hun werk extra leertijd vergt.”

Het EIB concludeert dat “op het vakmanschap blijkbaar in toenemende mate een beroep wordt gedaan, hetgeen duidt op een veranderende produktie met meer aandacht voor de kwaliteit”.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels