nieuws

Het kastje van een handelaar in verfstoffen

bouwbreed

Mosgroen, lentegeel, wolkenblauw, het zijn maar enkele voorbeelden uit de stalen van schilders. Tegenwoordig worden nog steeds allerlei vreemde grondstoffen gebruikt om verf te produceren. Maar pas halverwege de vorige eeuw werden kleurstoffen kunstmatig aangemaakt. Ook verpakkingsmateriaal als het blik en de tube werden pas toen geintroduceerd waardoor verf in veel grotere hoeveelheden kon worden aangemaakt en goedkoper werd.

In het Teylersmuseum te Haarlem is momenteel het Hafkenscheidkastje te zien. In vijftien laden van het kastje bevinden zich 320 monsters van pigmenten, ertsen en gesteenten, kleurstoffen, verfhouten, gommen en harsen.

Tot en met 18 juni is er een kleine overzichtstentoonstelling te zien met de geschiedenis van de familie Hafkenscheid, de inhoud van de verschillende laatjes en over de rol die het kastje vervulde bij het ontmaskeren van verschillende vervalsingen. Na deze tentoonstelling krijgt het kastje een vaste plek in het museum.

Michel Hafkenscheid (1772-1846) startte rond 1800 zijn verzameling van verfstofbenodigdheden. Elk monster kreeg een vakje in een speciaal gemaakt kastje. Het resultaat was een soort ‘stalenboek’ voor zijn klanten en het diende als vergelijkingsmateriaal bij het inkopen van een nieuwe partij.

“De monsters komen werkelijk overal vandaan. Zoals Cactusschildluizen uit Mexico en als je goed kijkt, kun je zien dat het echte beestjes zijn. Of wat te denken van Indisch geel, van urine van koeien die zijn gevoerd met mangobladeren. Verder is er hout uit Japan, stukjes mummie uit Egypte en Keulse aarde”, vertelt Karin Walraven, educatief medewerker van het Teylersmuseum.

“Michel Hafkenscheid leverde zijn verfstoffen en gommen aan apothekers, schilders en verfstoffenhandelaars. Zijn familie speelde een daarbij een belangrijke rol Hij had bijvoorbeeld twee neven die in de ‘blauwververij’ zaten. Een ander familielid was pater Bernard die verre reizen maakte en allerlei vreemde souvenirs en monsters meenam.” Ook hangen er enkele rekeningen van afnemers. Zo werd in 1855 – 30 in rekening gebracht voor een liter Carmin (rode verf).

Tijdens deze kleine overzichtstentoonstelling zijn alle monsters te zien en overal hangt een verklaring bij van wat het is en waar het vandaan komt. De monsters zijn onderverdeeld in onbewerkt anorganische stoffen, dus ertsen, gesteenten, halffabrikaten en aardpigmenten. Lade 4 tot en met 9 bevatten onbewerkt organische monsters, dat zijn plantaardige en dierlijke stoffen. In lade 10 tot en met 15 zijn de pigmenten ondergebracht en alles onder het kopje diversen. “Oorspronkelijk zaten de monsters in de vakjes; de glazen doosjes zijn van later, ook zijn er diverse vakjes leeg, daar hebben zouten in gezeten”, verklaart Karin Walraven.

Een ander deel van de tentoonstelling vertelt de rol die het kastje heeft gespeeld bij de het dateren van schilderijen en het aantonen van vervalsingen. Het kastje speelde een grote rol bij het ontmaskeren van Han van Meegeren, onder andere als schilders van ‘De Emmausgangers’ door Vermeer in 1937. Ook voor onderzoek naar de dertien schilderijen van Rembrandt in het Mauritshuis werden pigmenten uit het kastje gebruikt. “Toen bleek dat Rembrandt ondermeer gebruik maakte van loodwit, krijt, gele oker, vermiljoen, azuriet en smalt.” Naast een bijzonder archiefstuk is het kastje dus ook een belangrijk referentiekader.

Het kastje is te zien in het Teylersmuseum aan de Spaarne 16 te Haarlem. Het museum is dinsdag tot en met zaterdag geopend van 10 tot 17 uur en op zon- en feestdag en van 13 tot 17 uur.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels