nieuws

Uitzicht op tennishal

bouwbreed

Bestuurders en ambtenaren van vooral kleine gemeenten hebben het vaak moeilijk met ons steeds ingewikkelder rechtssysteem. Niet alleen moeten zij rekening houden met de wirwar van wettelijke regels, die (ook) voor gemeenten zijn geschreven, maar zij dienen tevens de uitspraken te kennen van rechterlijke colleges, die hebben uitgemaakt hoe je die regels moet uitleggen. Ben je wat dat betreft niet helemaal bij, dan loop je als gemeente de kans door de rechter teruggefloten en door al dan niet hooggeleerde commentatoren te kijk gezet te worden. Zoals met de (toen nog) gemeente Ulrum, inmiddels De Marne, gebeurde.

Zelfs in dorpjes als het een paar duizend inwoners tellende Groningse Ulrum is tegenwoordig behoefte aan een tennishal. Op de plek waar de gemeente die wilde neerzetten gold echter een bestemmingsplan dat de bouw ervan niet toeliet. Omdat vaststelling en goedkeuring van een nieuwe bestemming te veel tijd kosten maakte de gemeente gebruik van haar bevoegdheid om vrijstelling te geven van het bestemmingsplan uit 1967.

Dat kon alleen omdat er een voorbereidingsbesluit was voor een nieuw plan en het ontwerp van dat nieuwe plan voor de inwoners ter inzage had gelegen. Daarom kon worden vooruitgelopen op het nieuwe plan; omdat ook gedeputeerde staten op het verzoek om dat te mogen doen een verklaring van geen bezwaar hadden gegeven kon Ulrum de bouwvergunning voor de hal verlenen.

Tot zover ging alles goed in Ulrum. De hal werd echter pal naast de woning van de – tijdens de procedures die volgden overleden – heer Noordhuis gebouwd. Die vond dat zijn huis daardoor niet alleen minder waard geworden was, maar dat ook het uitzicht vanuit zijn woonkamer zo verslechterd was dat hij daar veel minder van kon genieten.

Op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening diende de gemeenteraad van Ulrum aan de heer Noordhuis een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen als kwam vast te staan dat die door de toepassing van de door de gemeente gehanteerde vrijstelling schade leed. Alleen als die schade redelijkerwijs tot zijn last behoorde te blijven of niet op een andere manier vergoed zou worden (bijvoorbeeld door aankoop of onteigening) hoefde Ulrum die waarde- en genotsvermindering niet te vergoeden.

De invulling van die eerste voorwaarde geschiedt al sinds een aantal jaren door de rechtspraak en daarvan dienden de ambtenaren en bestuurders van Ulrum dus goed op de hoogte te zijn, omdat zij de door de rechters aangegeven normen voor de toepassing van dat schadevergoedingsartikel dienden aan te houden bij het nemen van hun beslissing. Maar al vanaf de behandeling van het in september 1988 gedane verzoek tot toekenning van een schadevergoeding van – 75.000 ging het fout op het gemeentehuis.

De gemeenteraad stelde een commissie in, die van advies moest dienen over dit verzoek. Die adviseerde in negatieve zin, waarop B en W voorstelden het verzoek om vergoeding van schade af te wijzen. De gemeenteraad wist natuurlijk niet dat het pas een beslissing op dat voorstel mocht nemen nadat het eigen vrijstellingsbesluit onherroepelijk was geworden en volgde het college, dat dit voorstel natuurlijk nog niet op de agenda had mogen zetten (eerste foutje), kritiekloos. Dat procedurele foutje leidde tot vernietiging van het raadsbesluit door de Voorzitter van de afdeling geschillen van bestuur.

Geen nood op het Ulrumse gemeentehuis, waar men gewoon weer van voren af aan begon. Dezelfde commissie, die al eerder had gevonden dat er geen reden was voor een schadeloosstelling, ging nu zelf eens het wetsartikel uitleggen, dat hierover gaat. De ‘geleerden’ bleken daar een heel andere opvatting over te hebben dan de rechtsgeleerden in Den Haag. De heren (en dames?) uit Ulrum vonden namelijk, dat de wettelijke norm (“redelijkerwijs niet te zijnen laste moeten blijven”) zo uitgelegd moet worden, dat daar pas sprake van is als de vrijheid van de schadelijdende sterker wordt aangetast dan met de algemene sociale woonsituatie in overeenstemming is.

In dit geval was niet een vergelijking met de voorafgaande planologische situatie van belang, zeiden zij, maar wel of in de nieuwe situatie sprake is van een redelijk aanvaardbare oplossing. Van welk probleem die redelijk aanvaardbaar moet zijn vertelt de commissie er niet bij! Omdat hier geen sprake was van een, vergeleken met andere woonsituaties, erg beperkt uitzicht, slechte bezonning en zo meer (de woorden zijn niet van mij maar komen uit Groningen) was de heer Noordhuis dus niet onevenredig zwaar in zijn belang getroffen, zo was de redenering.

B en W en de Raad hebben kennelijk niet gekeken of deze uitleg wel strookte met de rechterlijke opvattingen in Den Haag en besloten overeenkomstig het advies. Derde foutje dus! Dat werd de aanleiding van een tweede vernietiging van een Ulrums raadsbesluit over hetzelfde onderwerp. De afdeling bestuursrechtspraak, die dit deed, nam de rol van de gemeente over en gaf zelf direct een beslissing op het verzoek van de man, wiens uitzicht tot zijn dood bedorven werd door de op korte afstand gebouwde tennishal van meer dan 9 meter hoog en 32 meter lang.

Deze nieuwe rechter, die de afdeling geschillen van bestuur heeft opgevolgd, veegde de vloer aan met Ulrum, dat zijn beslissing had gestoeld op een onjuiste toepassing van art. 49 van de Wet RO. Dat wat die gemeente niet nodig had gevonden, had zij nu juist wel moeten doen: de achtereenvolgende planologische regimes vergelijken! De afdeling van de Raad van State vond de door de Ulrummer beweerde waardevermindering van zijn huis op zich niet onaannemelijk, maar bij de vergelijking van de planologische regimes bleek dat onder het oude regime op een gedeelte van het terrein zelfs nog groter en hoger gebouwd mocht worden dan de tennishal, terwijl op het andere gedeelte een parkeerplaats aangelegd kon worden. Toch vonden de rechters een schadevergoeding van f. 12.500 in dit geval reeel!

Daar zat wel ook de schade door het verslechterde uitzicht en het verminderde woongenot in, zeiden zij. Waarom? Dat vertellen ze u en ons niet. Waarschijnlijk is de reden voor het verdisconteren van deze posten in de vergoeding van de waardevermindering van het huis, dat die vermindering juist veroorzaakt was door het mindere woongenot en uitzicht. Als de heer Noordhuis na ontvangst van de f. 12.500 schadeloosstelling zijn huis verkocht zou hebben, zou hij er redelijkerwijze evenveel minder voor hebben gekregen dan toen de hal er nog niet stond. En hij had dan geen last meer van het verslechterde woongenot; dat was dan voor de koper van zijn huis; die had daar dan ook weer minder voor betaald.

(BR 1995 p. 240).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels