nieuws

Nog niet openbaar gemaakt evaluatierapport: ‘Arbo-convenant bouw nauwelijks effectief geweest’

bouwbreed

Het in de afgelopen vijf jaar door overheid en sociale partners uitgevoerde convenant ter verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouw is nauwelijks effectief geweest. Dit is vooral te wijten aan het feit, dat de overeenkomst uitsluitend inspanningsverplichtingen kende. Vooral werkgevers en werknemers zijn er niet in geslaagd de naleving van arbo-bepalingen in de cao beter te garanderen.

Dit zijn de opvallendste conclusies uit een grondige evaluatie van het convenant door het bureau Andersson, Elffers, Felix BV te Utrecht. De bevindingen zijn vastgelegd in een lijvig rapport, dat vrijdagmiddag officieel openbaar zal worden gemaakt. Dat gebeurt na aanbieding ervan aan staatssecretaris Tommel van VROM en aan de voorzitters van AVBB, FAANB en bouwbonden van FNV en CNV.

Doelstelling

Het convenant beoogde via gezamenlijke en aparte acties de arbeidsomstandigheden in de bouw te verbeteren. De gezamenlijke acties behelsden voorlichting, voorbeeld/leerpoen en onderzoek naar gevaarlijke en onveilige materialen.

Daarnaast kreeg een gezamenlijke sub-werkgroep de taak een regeling te treffen inzake de relatie opdrachtgever/aannemer. En tenslotte richtten aparte acties van sociale partners en SZW zich op naleving van cao-afspraken en wet- en regelgeving.

De doelstelling was ambitieus, maar kwam niet uit de verf omdat “de gehanteerde beleidstheorie rationalistisch, zeer veel omvattend en naief was.” Bovendien werden de inhoudelijke ambities niet vertaald in resultaatverplichtingen. Feitelijk werd het convenant een gentleman’s agreement met inspanningsverplichtingen.

Uit het evaluatierapport blijkt dat met name bij werkgevers en wellicht ook de rijksoverheid verzet bestond tegen een hardere overeenkomst Uitgaande van inspanningsverplichtingen is het convenant geslaagd te noemen. Maar over de feitelijke effecten zegt dat niets: “De effectiviteit is zeer bescheiden geweest. Enige correlatie tussen activiteiten in het kader van het convenant en daadwerkelijke verbetering van de arbeidsomstandigheden op de bouwplaats hebben we niet ke aantonen.”

Het idee dat dankzij het convenant een netwerk is ontstaan van functionarissen van sociale partners en overheid, die met elkaar structureel en tamelijk onzichtbaar een netwerk-arbeidsomstandigheden-bouw vormen, wordt “overdreven” genoemd.

Grote trekker van het arbo-convenant was toenmalig VROM-minister Nijpels. Hij heeft met name de zich verzettende werkgevers over de streep getrokken. Maar door het verdwijnen van de Directie Coordinatie Bouwbeleid (DCB, opgeheven door Alders, voor wie het convenant geen hot item was) is “de politieke-, bestuurlijke- en ambtelijke druk op het thema volledig verdwenen.”

En de vakbonden zijn er niet in geslaagd “nieuwe inhoudelijke impulsen van draagvlak te voorzien en werden van een pro-actieve partij een volgende partij. De vakbeweging is er niet in geslaagd druk op het arbo-thema te houden.”

Prikkels

De terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de bouw begin jaren ’90 is sterker beinvloed door financiele prikkels (als gevolg van wettelijke maatregelen) dan door het convenant. Eigenlijk was het convenant al na 2-3 jaar uitgewerkt. In dat opzicht uiten de opstellers van het rapport kritiek op de convenantspartijen: “Een hoger inhoudelijk ambitieniveau, resultaatsverplichtingen, aanpassing van het convenant en/of een poorganisatie hadden de boog gespannen ke houden.”

Een aantal convenants-ideeen noemen ze bovendien “niet realistisch.” Een voorbeeld is het arbo-keur. En van de “getuigenis-rol van de rijksoverheid als voorbeeld-opdrachtgever is ook nog niet zoveel terechtgekomen.”

Uitgewerkt

Continuering van het convenant is niet nodig: “Dit convenant is uitgewerkt.” Het nu minimaal uit de verf gekomen principe van voorbeeld/leerpoen zou structureel aangepakt ke worden door de huidige beschikbare poen van de Rijksgebouwendienst (RGD) en andere rijksopdrachtgevers als voorbeeld/leerpoen te benoemen. Dan ke bovendien de effecten van het Bouwbesluit worden getoetst.

Aan de activiteiten van de sub-werkgroep Gevaarlijke en Ongezonde Materialen (GOM) moet een vervolg worden gegeven door het definieren van een gezamenlijk onderzoeksprogramma voor de jaren 1995-1998: “Er zou in elk geval een gezamenlijk budget moeten worden vastgesteld voor een diepgaand onderzoek hoe het gedrag van ondernemers en werknemers op de bouwplaats zo is te beinvloeden dat de arbeidsomstandigheden op de bouwplaats daadwerkelijk verbeteren.”

Tenslotte moeten overheid en sociale partners een (zware) commissie instellen, die na een half jaar de ministers van VROM en SZW en sociale partners in de bouw adviseert over een effectievere cao-naleving van arbo-bepalingen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels