nieuws

Hekwerk om fundering

bouwbreed

Een regel, die we in onze jeugd toepasten, was die van het ‘gelijk oversteken’. Aan de verplichtingen, die wij tegenover elkaar waren aangegaan, moest dan tegelijkertijd voldaan worden. Dit betekende dat ik meteen betaalde als ik het ding kreeg, waarvoor ik het afgesproken bedrag over had. Bij verreweg de meeste verkopen over de toonbank geldt die regel ook.

In ons Burgerlijk Wetboek is dat vastgelegd bij de omschrijving van het algemene opschortingsrecht. Die zegt dat de schuldenaar, die een opeisbare vordering heeft, bevoegd is de nakoming van zijn verplichting op te schorten totdat voldoening van zijn vordering plaats vindt. Voorwaarde is wel, dat er tussen die vordering en zijn eigen verplichting voldoende samenhang bestaat.

Aan die voorwaarde wordt voldaan als de aannemer, die het hem opgedragen werk uitvoert, een opeisbare vordering op zijn opdrachtgever heeft. Hij kan het werk opschorten zolang hij de verschenen betalingstermijn niet ontvangen heeft. In de bouwwereld heeft men daar een andere term voor: het werk schorsen. Zo staat het ook in de UAV.

Hoewel men in de bouwpraktijk het ‘gelijk oversteken’ zo heeft geregeld, dat gedeelten van de aannemingssom opeisbaar worden bij het gereedkomen van onderdelen van de bouw, komt het in de praktijk toch af en toe voor, dat van het opschortingsrecht door de aannemer gebruik wordt gemaakt. Een bijzondere vorm daarvan is het recht van terughouding ofwel retentierecht. Daarbij wordt de verplichting tot afgifte van de zaak, die het onderwerp is van de aannemingsovereenkomst, opgeschort totdat betaling van de aannemingssom plaatsvindt danwel zekerheid voor die betaling is gesteld.

Van dat recht wilde onderaannemer Konst, die de fundering en de begane grondvloer van een woning in Almere had gelegd, gebruik maken omdat de hoofdaannemer Falcon failliet was gegaan. Die had geprobeerd zijn problemen op te lossen door zich inkomsten te verwerven voordat de daarbij behorende werkzaamheden waren verricht. Zo had hij zijn opdrachtgever al in juli 1993 een rekening gestuurd voor het werk, dat hij aan zijn onderaannemer Konst had uitbesteed.

Konst begon echter met het leggen van de fundering pas in september; hij bracht daarvoor een maand later aan Falcon het bedrag van f. 31.725 in rekening, maar kreeg dat nooit betaald want in november 1993 werd Falcon failliet verklaard. Het door hem van de opdrachtgever inmiddels ontvangen bedrag van f. 56.000 viel dus in de failliete boedel en dat was voor Konst aanleiding om een beroep te doen op zijn retentierecht. Volgens hem hoefde hij de door hem aangebrachte fundering en begane grondvloer niet ‘op te leveren’ voordat het door hem daarvoor in rekening gebrachte bedrag was ontvangen.

Nu is het voor het retentierecht van wezenlijk belang of de zaak, die wordt teruggehouden ‘in de macht’ van de aannemer is. Konst vond, dat zulks het geval was omdat hij een bouwkeet op het perceel had geplaatst, waardoor geen werkzaamheden konden worden verricht op de fundering en begane grondvloer. Pas als die keet verwijderd was zou de opdrachtgever van de bouw de feitelijke macht over zijn huis in aanbouw ke uitoefenen.

Vier maanden nadat de rechtbank in Alkmaar het faillissement had uitgesproken over de hoofdaannemer plaatste diens opdrachtgever op zijn bouwterrein een hekwerk rond de fundering en de daarop gelegde vloer. Konst vond, dat daardoor inbreuk werd gemaakt op zijn retentierecht en eiste in kort geding dat dit hek weer verwijderd zou worden.

De President van de Zwolse rechtbank begon de beoordeling van deze eis met de constatering, dat het sinds de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek onomstotelijk vaststaat, dat het retentierecht ook op een onroerende zaak mogelijk is. Voor die tijd dacht men vrij algemeen, dat het uitsluitend gold voor roerend goed. Ook twijfelde men over de vraag of dat recht ook aan de onderaannemer toekwam; sinds 1 januari 1992, toen het Nieuw B.W. van kracht werd, weten we zeker dat elke schuldeiser dat recht kan hebben.

Die kwesties zijn dus al een aantal jaren uit de wereld! Wat hier van doorslaggevende betekenis was, of de fundering wel in de feitelijke macht van Konst was toen de opdrachtgever van de bouw er een hekwerk omheen zette. De President vond, dat de aanwezigheid van een bouwkeet op het bouwterrein daarvoor niet voldoende is, zelfs niet als die zo is neergezet, dat er moeilijk verder gebouwd kan worden. Hier was sprake van een bouwwerk, dat nog niet kon worden afgesloten. Konst zou de woning in aanbouw pas in zijn feitelijke macht hebben als hij haar zelf van een afsluitbare omheining had voorzien. Dat de opdrachtgever van de bouw dat had gedaan was in feite een bevestiging van zijn positie als eigenaar en dus helemaal niet onrechtmatig zoals onze onderaannemer vond.

Over de stelling van de opdrachtgever van de bouw, dat een erkenning van het retentierecht van Konst zou leiden tot een ontwrichting van het maatschappelijk verkeer, omdat dan opdrachtgevers bij een faillissement van de al betaalde hoofdaannemers, de onderaan- nemers met een retentierecht ook nog eens zou moeten betalen, zei de President niets. Hij had er ook niet veel meer over ke zeggen dan: “ja, dat zou sneu voor je geweest zijn, maar nu is het sneu voor de onderaannemer dat hij het geld, dat betaald is voor zijn werk, in de failliete boedel terecht ziet komen. Bovendien was je wel erg vlot met betalen voor het werk waar nog niet eens mee begonnen was!”

(BR 1995 p. 155).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels