nieuws

Geschiedenis Duitse torengebouwen

bouwbreed

De geschiedenis van woon- en kantoortorens is relatief jong. In de jaren twintig waren twee prijsvragen voor torengebouwen internationaal spraakmakend: in 1921/22 de Berlijnse Friedrichstrasse en kort daarna in 1922 het hoofdkantoor voor de Chicago Tribune. Hoewel beide prijsvragen uiteindelijke geen vernieuwende resultaten opleverden, blijken ze karakteristiek voor de discussie omtrent hoogbouw in Duitsland.

Fascinerend daarbij was de gang van zaken rond een driehoekig terrein dat direct terzijde van het Berlijnse station Friedrichstrabetae lag en in feite nog altijd braak ligt. Er is enkele jaren geleden een studiebijeenkomst aan gewijd, om de vraag te beantwoorden of een niet bekroond ontwerp van Ludwig Mies van der Rohe niet alsnog uitgevoerd moet worden!

De prijsvraag werd mede door de bond van Duitse architecten BDA geinitieerd, nadat een poontwikkelaar hier een ontwerp van een Fransman wilde bouwen. Toen al protesteerde de inlandse architecten, hetgeen tot een wat vage prijsvraag leidde. Er kwamen wel 144 inzendingen binnen; het zouden er meer zijn geweest als architecten in overheidsdiensten en/of werkzaam als docenten mee hadden mogen doen. Bauhausdirecteur Walter Gropius en stadsbouwmeester Fritz Schumacher in Hamburg konden bij voorbeeld niet deelnemen aan de prijsvraag.

Vandaag de dag zijn er slechts 40 in publikaties afgebeelde ontwerpen uit de prijsvraag bekend. De jury had geen waardering voor het ontwerp van Mies, dat derhalve in een hoekje van de tentoonstelling werd verborgen. Maar juist dat ontwerp voor een transparante toren is wereldberoemd geworden. Het vormde in feite zelfs de aanleiding om driekwart eeuw later nog steeds nieuwsgierig naar de overige inzendingen te speuren.

De ogenschijnlijke pure vormwil van Mies werd verklaarbaar omdat de plattegrond rekening hield met voldoende toetreding van daglicht tot diep in de toren.

Jaren later is een besloten prijsvraag voor hetzelfde terrein gehouden, waarin Mies opnieuw een kans kreeg, maar gebouwd is er niet.

De in hetzelfde jaar in Chicago uitgeschreven prijsvraag voor de Chicago Tribune leverde nog meer belangstelling op, waaronder Duitsland met 39 tijdig (en 29 te laat) binnengekomen ontwerpen het hoogst scoorde. Nederland nam met 11 ontwerpen de tweede plaats in tussen landen buiten de VS met het grootste aantal inzenders. De hoge buitenlandse deelname was mede begrijpelijk door het hoge prijzengeld van $100.000, dat in de toenmalige Duitse valuta nauwelijks meer was uit te spreken. De Duitse ontwerpen vielen in alle gangbare architectuurstromingen, van traditioneel zoals het uiteindelijk ‘neo-gotische’ winnende Amerikaanse ontwerp, tot een moderne toren zoals dat van Walter Gropius. Opmerkelijk was het Duitse ontwerp van Bruno Taut met Gunther en Schulz, waarbij de toegestane schaduwhinder werd vertaald in een piramidale bovenbouw van de toren.

Rond beide prijsvragen zijn er wel degelijk hogere gebouwen voor ondermeer kantoorruimte gerealiseerd. Ze zijn in het boek geinventariseerd en besproken, met achterin een lijst met de belangrijkste documenterende gegevens. Het gaat dan vaak om heel andere architectuur van haalbaar gebleken torengebouwen.

Hoewel het specifiek om de Duitse hoogbouwdiscussies rond de jaren twintig gaat, komen ook voorbeelden in ons land ter sprake, zoals de Bergpolderflat in Rotterdam en de gedroomde hoogbouw in het Vondelpark van Wijdeveld. Terloops worden ook andere buitenlandse voorbeelden genoemd zoals de plannen van Le Corbusier voor Parijs. Het maakt dit boek ook buiten Duitsland heel interessant, mede door het royale aantal afbeeldingen in Duitsland, maar ook daarbuiten als ze van invloed waren op de ontwikkelingen bij onze oosterburen. Het boek is goed verzorgd uitgegeven en verdient ook buiten de bondsrepubliek belangstelling.

Dietrich Neumann: ‘Die Wolkenkratzer kommen’. Uitgeverij: Vieweg, Wiesbaden 1995. Formaat: 22 x 28 cm, 208 blz. ISBN: 3 528 08815 X. Prijs: (gebonden) DM 98.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels